Spreekwoorden met `à`

Zoek


4381 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `à`

  1. appels voor citroenen verkopen (=iemand oplichten.)
  2. appeltje eitje (=erg makkelijk)
  3. april doet wat hij wil (=april geeft onvoorspelbaar weer)
  4. aprilletje zoet, heeft nog wel eens een witte hoed (=in het begin (de hoed) van april kan het nog wel eens sneeuwen)
  5. arbeid adelt (=van hard te werken word je een nobeler/beter mens)
  6. arbeid is voor de dommen. (=gezegd als je liever op twijfelachtige wijze geld verdient dan op een eerlijk manier)
  7. arbeiden als een galeislaaf (=erg hard werken)
  8. arbeider in de wijngaard des heren (=geestelijk beroep (priester,dominee) uitoefenend)
  9. armoe met eren kan niemand deren. (=arm zijn is niet erg als je maar eerlijk bent)
  10. armoe op de stal is armoe overal (=met te weinig dieren in de stal kun je geen geld verdienen)
  11. armoede zoekt list. (=armoede dwingt om op zoek te gaan naar alternatieve manieren om rond te komen)
  12. armslag krijgen (=meer mogelijkheden krijgen)
  13. ars longo vita brevis (=de kunst blijft lang en het leven is kort) (Latijn)
  14. as is verbrande turf (=aan een belofte (as = als) heb je niets)
  15. averechts uitpakken (=helemaal verkeerd aflopen. Tegengesteld uitpakken)
  16. avondrood, mooi weer aan boord (=na een rode avondlucht volgt mooi weer)
  17. baat het niet, schaadt het niet (=iets kan helpen, maar als het niet helpt zal het geen problemen geven)
  18. bakkerskinderen eten oud brood. (=aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  19. bakzeil halen (=toegeven dat je ongelijk hebt / aanzienlijk minder hoge eisen stellen dan je eerder deed)
  20. balen als een stier (=er een gloeiende hekel aan hebben)
  21. balsem in de wonde gieten (=het leed verzachten)
  22. bang voor zijn hachje zijn (=weinig durven en bang zijn om gevaar te lopen)
  23. bang zijn voor zijn eigen schaduw (=overdreven bang zijn)
  24. bang zijn zich aan koud water te branden (=erg voorzichtig zijn)
  25. barbertje moet hangen (=ongeacht of iemand schuldig is moet die gestraft worden)
  26. bederf geen pannenkoek om een ei (=op kleine dingen bezuinigen kan grotere gevolgen hebben)
  27. begaan zijn met (=bedroefd zijn omdat het met iemand niet goed gaat, meeleven met)
  28. bekend staan als de bonte hond met de blauwe staart (=berucht)
  29. belofte is een hemd der dwazen (=een nietszeggende belofte kan toch tijdelijk gelukkig maken)
  30. belofte maakt schuld (=als je iets beloofd hebt moet je dat ook nakomen)
  31. beminnen als het licht van zijn ogen (=erg graag zien)
  32. ben je belatafeld (=ben je gek)
  33. beneden alle peil (=stijlloos)
  34. benen maken (=(haastig) weggaan)
  35. bepakt en bezakt (=met (veel) bagage)
  36. beproeft alle dingen en behoudt het goede. (=weet wat er allemaal is, maar doe alleen de goede dingen)
  37. bergafwaarts gaan (=het gaat steeds slechter, bijvoorbeeld met iemands gezondheid)
  38. berouw komt na de zonde (=als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw)
  39. beslagen ten ijs komen (=goed voorbereid zijn)
  40. betalen als de paus geus wordt (=nooit betalen)
  41. beter blode Jan dan dode Jan (=het is beter zich laf blood te gedragen, dan te sterven, dood te zijn)
  42. beter blooie Piet dan dooie Piet (=beter een aarzelend iemand dan iemand die ondoordacht handelt)
  43. beter een blind paard dan een leeg halster. (=beter iets dan niets)
  44. beter één ezel voor de ploeg dan twee paarden op stal. (=kiezen voor zekerheid.)
  45. beter een goede buur dan een verre vriend (=vriendschap op afstand is minder waardevol)
  46. beter een half ei dan een lege dop (=beter iets dan helemaal niets)
  47. beter één vogel in de hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
  48. beter ermee verlegen dan erom verlegen (=liever van iets te veel dan van iets te weinig hebben)
  49. beter hard geblazen dan de mond gebrand (=het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid iets fout gaat)
  50. beter kleine meester dan grote knecht (=liever een bescheiden zelfstandige dan een grote knecht bij een baas)

4419 betekenissen bevatten `à`

  1. als de armoede binnenkomt vliegt de liefde het venster uit (=armoede betekent vaak het einde van vriendschappen en relaties)
  2. armoede zoekt list. (=armoede dwingt om op zoek te gaan naar alternatieve manieren om rond te komen)
  3. hoogmoed deed nooit iemand goed. (=arrogantie en overmoed zijn slechte eigenschappen)
  4. dat is een echte haai (=assertief en bijdehand mens)
  5. de scepter zwaaien (=baas zijn)
  6. het hoogste woord hebben (=baas zijn (of willen zijn))
  7. onder zich hebben (=baas zijn over)
  8. in de naad zitten (=bang zijn)
  9. in de rats zitten (=bang zijn of angst hebben / in de problemen zitten)
  10. keur baart angst. (=bang zijn om niet de goede keuze te maken door een teveel aan opties)
  11. de paal door de oven werken (=bankroet gaan)
  12. de paal door de oven steken (=bankroet gaan, zich te gronde richten)
  13. aan de grond zitten (=bankroet of totaal uitgeput zijn)
  14. begaan zijn met (=bedroefd zijn omdat het met iemand niet goed gaat, meeleven met)
  15. dat is huilen met de pet op (=bedroevend resultaat)
  16. je bent om op te eten (met boter en suiker). (=beeldig, snoezig, hartveroverend, snoeperig.)
  17. breek me de bek niet open (=begin daar maar niet over, want daar kan ik heel veel negatieve dingen over vertellen)
  18. terug naar af (=begin maar weer opnieuw)
  19. van wal steken (=beginnen met spreken, beginnen met een verhaal)
  20. van leer trekken (=beginnen met vechten, duidelijk laten merken dat iets als vervelend ervaren wordt)
  21. aan de slag gaan (=beginnen te werken, starten)
  22. ten grave dalen (=begraven worden)
  23. onder de groene zoden liggen (=begraven zijn)
  24. geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn. (=behandel kinderen niet als grote mensen)
  25. salva ratificatione (=behoudens bekrachtiging)
  26. waar twee kijven hebben twee schuld (=beide personen hebben schuld als ze ruzie met elkaar maken)
  27. aan elkaar gewaagd zijn (=beiden vrijwel evenwaardig zijn)
  28. aan het klokzeel hangen (=bekend maken)
  29. aan het licht brengen (=bekend maken (bijz. van ongunstige dingen))
  30. iets aan de kaak stellen (=bekend maken wat niet in orde is)
  31. te goeder naam en faam bekend staan (=bekend staan voor goede dingen)
  32. aan het licht komen (=bekend worden van ongunstige dingen)
  33. de deksel van de pot aflichten. (=bekendmaken wat voorheen verborgen was)
  34. iets in de verf zetten (=beklemtonen, accentueren)
  35. elk heeft genoeg in eigen tuin te wieden. (=bekritiseer geen anderen als je zelf niet perfect bent)
  36. gewicht hechten aan (=belang hechten aan)
  37. van je buik een afgod maken (=belang hechten aan lekker eten en drinken)
  38. wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  39. op je achterste zolder jagen (=beledigen, bang maken)
  40. heeft de duivel het paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=ben je eenmaal in de macht van slechte mensen, dan wordt het alleen maar erger)
  41. heeft de duivel `t paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  42. van de ratten besnuffeld/gebeten zijn (=ben je nu helemaal gek!)
  43. kijken als Jonas in de walvis (=benauwd kijken)
  44. het tij wacht op niemand. (=benut kansen voor het te laat is)
  45. geen mens is zijn eigen maker. (=beoordeel iemand niet om hun uiterlijk.)
  46. de toon aangeven (=bepalen welke richting het op gaat)
  47. maak je borst maar nat (=bereid je voor op een zware klus (of op veel tegenstand))
  48. op een kratje zitten als dat nodig is (=bereid zijn om je aan te passen aan minder luxe)
  49. ik wil hogerop, zei de jongen en hij kwam aan de galg. (=bereik je doel op een eerlijke manier)
  50. de grond onder zich voelen wegzinken (=beschaamd zijn , geen oplossing meer zien)

50 dialectgezegden bevatten `à`

  1. Al a poer verschietn (=Al uw energie in iets steken) (Bambrugs)
  2. Aon a beuzze! (=Geen sprake van!) (Dilbeeks)
  3. aranje (=Leidse kleur met een A) (Leids)
  4. as ge ni oud wilt weurre moet a mor joenk oephange (=als je niet oud wil worden moet je je maar jong ophangen) (Antwerps)
  5. Aske da geluuft en a bedde afstojd, dein slopt op de planchei (=ik geloof het niet) (Hals)
  6. Aske naa ne oëtskitj gevek a ne kartesj dagge steirekes ziet (=Als je nu niet stopt geef ik je een pak rammel) (Liedekerks)
  7. assek a nekke go vastskeiren e (=als ik je eens ga vastpakken) (Liedekerks)
  8. aug a vast on de takker'n van de buëm'n (=hou je vast aan de takken van de bomen) (Meers)
  9. augt a annen on anne gedong (=hou je handen aan je stuur) (Meers)
  10. augt a bakkes (=hou je mond) (Meers)
  11. augt a bakkes mor (=wees stil, spreek niet tegen) (Meers)
  12. augt a goed (=hou je goed) (Meers)
  13. augt a kloek, 'k alle kik de kiskes wel augen (=hou je goed (hou je kloek, ik hou de kuikentjes)) (Meers)
  14. augt a kloek, ik aug de kiskes (=hou je goed) (Meers)
  15. augt a toot (=hou je mond) (Meers)
  16. azué een a dués datta gewurren es (=sterk verouderd zijn) (Hams)
  17. Bin a mee bon djuü, wij es't toch meugelèk (=Lieve God, hoe is dat toch mogelijk) (Walshoutems)
  18. bin je klootn a nat aje nog gin vis (=zoveel moeite voor niets) (Zeeuws)
  19. bloskes: Ze mokt a bloskes wouijs (=Ze speldt je iets op de mouw) (Lebbeeks)
  20. botte: Iet oët a botte slaugen (=Iets verzinnen / Iets grappigs uitkramen) (Lebbeeks)
  21. breit a e molleken (=hoepel op) (Erps)
  22. champetter, op a gat stoet een letter, op a bille stoet een o, ge zè ne dikke merteko (=veldwachter rijmpje) (Meers)
  23. d'r a bluët gat van lotte zien (=het is veel te gortig) (Meers)
  24. Da bis e a gen hek (=Dan ben je in de aap gelogeerd) (Eys)
  25. da des na echt voe a beste panch van af te kappe (=dat is echt een tegenvaller) (Brussels)
  26. da goa'd'oep a boekske (=dat vergeet ik niet (tegen kinderen) ) (Antwerps)
  27. da weezen eetj a nie (=dat inzicht heeft hij niet) (Meers)
  28. Da za tegen a jelee zèn (=Je moet er niet op rekenen) (Aalsters)
  29. da za teigen à jaket zèn (=ge moet er niet op rekenen) (Aalsters)
  30. da zal a gat voare (=zoiets ben jij niet gewoon) (Antwerps)
  31. da zèn a zouken nie (=dat zijn je zaken niet) (Meers)
  32. da zijn a zoakes niet (=daar heb je n!ets mee te maken) (Kaprijks)
  33. da’k-et a zêë ! (=zo is het !) (Kaprijks)
  34. das a malo (=het geld is binnen) (Munsterbilzen - Minsters)
  35. das gelek hores up a verken (=dat past niet bij elkaar) (Loksbergs)
  36. das nog a hlad (=dat is zeker) (Zeeuws)
  37. das piek a piek (=ze kunnen elkaar niet lijden) (Sint-Niklaas)
  38. das pik a pik (=ze kunnen elkaar niet verdragen) (Sint-Niklaas)
  39. Dat gon ich dich nèt a gen naás hange (=Dat zal ik jóu niet vertellen) (nijswillers)
  40. dat is deur mn neuze a boord (=iets mis lopen) (Zeeuws)
  41. de bieën'n vanonder a gat leupen (=zich haasten) (Ninoofs)
  42. de keis van a broeét laten eten (=je laten bedriegen) (Pamels)
  43. de piuëdn vanonder a lijf liuëbm (=van hier naar daar lopen) (Kaprijks)
  44. de woarijt komt uit a moest'n de kroun uitbrin' (=ooit zal de waarheid aan het licht komen) (Brakels)
  45. de zuem van a gat schijiten (=grote stoelgang hebben) (Erps)
  46. der ès a op slegter papier geschreevn (=er zijn er minder mooie) (Brakels)
  47. di is hin puut in de poele die a zo ie-et (=over naam) (Zeeuws)
  48. Die kom no'h á van kot (=Die komt nogal uit de hoek, ook financieel) (Zeeuws)
  49. Dienn paais zeekers da gjee De weirlt a zeun gat angt (=Van iemand die een heel hoge dunk van zichzelf heeft zegt men:) (Maldegems)
  50. doa kiek ik nag ni óp á (=dat intereseert me niet) (Horster)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen