Spreekwoorden met `zijn`

Zoek


642 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zijn`

  1. iedere heilige komt zijn kaarsje toe (=iedere medewerker moet delen in de eer)
  2. iedere stuiver brengt zijn gierigheid mee. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn)
  3. iedereen moet zijn last dragen (=ieder heeft zijn problemen)
  4. iemand aan zijn angel krijgen (=iemand in zijn macht krijgen)
  5. iemand aan zijn woord houden (=van iemand eisen dat hij zijn belofte nakomt)
  6. iemand een pluim op zijn hoed steken (=iemand complimenteren)
  7. iemand iets op zijn brood geven (=iemand onvriendelijk iets verwijten)
  8. iemand in zijn eigen sop gaar laten koken (=iemand aan zijn lot overlaten (iemand die iets niet goed gedaan heeft))
  9. iemand in zijn eigen vet gaar laten smoren (=iemand die iets misdaan heeft aan zijn lot overlaten)
  10. iemand in zijn kielwater zeilen (=iemand op de hielen volgen)
  11. iemand na in den bloede zijn (=van iemand een bloedverwant zijn)
  12. iemand of iets de baas zijn (=iemand of iets kunnen overmeesteren)
  13. iemand om zijn vinger (kunnen) winden (=alles van iemand gedaan (kunnen) krijgen of alles mogen)
  14. iemand onder zijn vleugels nemen (=iemand beschermen of verzorgen)
  15. iemand op zijn nummer zetten (=iemand zeer nadrukkelijk op zijn fouten wijzen, op een wijze die voor die persoon beschamend is)
  16. iemand op zijn vestje spuwen (=een standje geven en ongenoegen over iemand uiten)
  17. iemand op zijn voorman zetten (=iemand nadrukkelijk op zijn plicht wijzen)
  18. iemand op zijn wenken bedienen (=iemand altijd en onmiddellijk geven waar hij om vraagt)
  19. iemand op zijn zeer trappen (=ergens over praten wat door iemand als erg onplezierig ervaren wordt)
  20. iemand tot op zijn hemd uitkleden (=alles van iemand afnemen, een te hoge prijs laten betalen)
  21. iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=steeds verschillende baantjes hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn)
  22. iemand van zijn stuk brengen (=iemand onzeker maken)
  23. iemand zijn vet geven (=iemand flink de waarheid zeggen)
  24. iemands oogappel/ooilam zijn (=iemands lieveling zijn (vaak kind))
  25. iemands rechterhand zijn (=de belangrijkste assistent zijn)
  26. iemands voetveeg zijn (=iemands slaaf zijn (zich alles moeten laten welgevallen))
  27. iets aan de knikker zijn (=iets niet in orde of aan de hand zijn)
  28. iets beneden zijn waardigheid achten (=iets niet willen doen omdat men vindt dat men een betere taak waard is)
  29. iets in zijn holle kies kunnen stoppen (=gezegd van eten : het is de moeite niet, het is te weinig)
  30. iets in zijn schild voeren (=iets van plan zijn, een geheim hebben, stilzwijgend een plan uitvoeren)
  31. iets naar zijn hand zetten (=het precies (laten) doen zoals hij wil)
  32. iets niet met zijn geweten overeen kunnen brengen (=iets niet kunnen doen omdat men het niet goed vindt)
  33. iets niet naar het haar zijn (=iets niet bevallen)
  34. iets niet over zijn hart kunnen krijgen (=ergens niet toe kunnen komen of ergens op gesteld zijn)
  35. iets op zijn beloop laten (=iets gewoon maar verder laten gaan zonder dat je je ermee bemoeit, zonder dat je ingrijpt)
  36. iets op zijn kerfstok hebben (=verkeerde dingen gedaan hebben)
  37. iets op zijn sloffen aankunnen (=iets heel gemakkelijk kunnen uitvoeren)
  38. iets uit zijn mond sparen (=iets niet opeten)
  39. iets uit zijn mouw schudden (=zonder moeite met iets komen)
  40. iets voor de kat zijn viool doen (=iets voor niets doen)
  41. iets voor zijn verantwoording nemen (=iets op zich nemen)
  42. iets zo beu zijn als koude pap (=iets grondig beu zijn)
  43. ijskoud zijn gang gaan (=zich nergens van aantrekken)
  44. in behouden haven zijn (=veilig ergens zijn (bv na een reis))
  45. in de aap gelogeerd zijn (=in een vervelende positie beland zijn)
  46. in de ban zijn van iets (=zo erg in iets geïnteresseerd zijn dat je aandacht alleen nog maar daarop kunt richten)
  47. in de bonen zijn (=verward zijn)
  48. in de contramine zijn (=tegen alles in gaan of altijd iets anders willen dan anderen)
  49. in de fuik zijn (=verloofd of getrouwd)
  50. in de kerk geboren zijn (=de deur open laten staan)

793 betekenissen bevatten `zijn`

  1. te dom zijn om voor de duvel/duivel te dansen (=heel erg dom zijn)
  2. zo lek als een zeef zijn (=heel erg lek zijn)
  3. zo slim als een vos zijn (=heel erg slim zijn)
  4. zo mak als een lammetje (=heel gedwee zijn)
  5. zo hongerig als een kerkrat/kerkmuis (=heel hongerig zijn)
  6. groen zien van jaloezie (=heel jaloers zijn)
  7. zo sterk als een paard. (=heel sterk zijn)
  8. geen vin verroeren (=heel stil zonder beweging zijn)
  9. geen veer van de mond kunnen blazen (=heel zwak zijn, heel arm zijn)
  10. moederziel alleen (zijn) (=helemaal alleen (zijn))
  11. zo zat als een deur (=helemaal bezopen zijn)
  12. van de kook zijn (=helemaal in de war zijn)
  13. kruit noch lood hebben (=helemaal ongewapend zijn)
  14. uit het veld geslagen zijn (=helemaal van streek zijn)
  15. twee hoofden onder een kaproen zijn (=het altijd met elkaar eens zijn)
  16. twee handen op één buik zijn (=het altijd met elkaar eens zijn)
  17. wie wat bewaart, die heeft wat (=het bewaren van zaken kan op lange termijn voordelig blijken te zijn)
  18. in zijn laatste schoenen lopen (=het einde naderen - erg ziek zijn)
  19. tegen de draad ingaan (=het er niet er mee eens zijn en er tegen in gaan)
  20. huilen met de wolven in het bos (=het er niet mee eens zijn maar wel de baas gelijk geven en bevestigen)
  21. op dezelfde golflengte zitten (=het grotendeels eens zijn)
  22. beter blode Jan dan dode Jan (=het is beter zich laf blood te gedragen, dan te sterven, dood te zijn)
  23. het is volle bak (=het is helemaal uitverkocht; er zijn heel veel mensen)
  24. het is zondegeld (=het is jammer dat daar kosten voor gedaan zijn)
  25. late haver komt ook op (=het is niet omdat iets laat komt, dat het niet goed zou zijn)
  26. daar hangt de po uit (=het is niet zoals het zou moeten zijn)
  27. het kainsmerk aan zijn voorhoofd dragen (=het is op zijn gezicht te lezen dat hij een schurk is)
  28. het kan verkeren (=het kan veranderen, de dingen blijven niet zoals ze zijn)
  29. een zoon van zijn vader zijn (=het karakter van zijn vader hebben)
  30. een aardje naar zijn vaartje (=het karakter van zijn vader hebben)
  31. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
  32. de Benjamin zijn (=het lievelingetje zijn)
  33. schipbreuk lijden (=het niet tot zijn doel geraken / mislukken)
  34. over de tong gaan (=het onderwerp van gesprek zijn)
  35. de sigaar zijn (=het slachtoffer zijn / de doodstraf krijgen (een sigaar wordt `onthoofd` voor gebruik))
  36. de tramontane kwijt zijn (=het spoor bijster zijn)
  37. het zal erom houden (=het zal op het nippertje zijn)
  38. het lot valt altijd op Jonas. (=het zijn altijd dezelfde personen die onheil meemaken.)
  39. je zult ze maar de kost moeten geven (=het zijn er veel (mensen))
  40. het geld brandt hem in de zak (=hij geeft zijn geld graag en gemakkelijk uit)
  41. er is tuk aan de hengel (=hij heeft beet (krijgt zijn zin))
  42. je schip is binnen (=hij heeft zijn fortuin gemaakt)
  43. er mankeert iets in zijn bovenkamer (=hij is niet goed bij zijn verstand)
  44. zijn ogen zijn groter dan zijn maag (=hij neemt meer op zijn bord dan hij kan eten)
  45. de stoppen slaan bij hem door (=hij verliest zijn zelfbeheersing)
  46. de duiten bijten hem (=hij verspilt zijn geld)
  47. zijn haan moet altijd koning kraaien (=hij wil altijd de baas zijn)
  48. zijn eigen luizen bijten hem (=hij wordt gekweld door zijn eigen kinderen)
  49. hij zoekt zijn paard en hij zit er op (=hij zoekt iets wat voor zijn neus is, wat iedereen ziet)
  50. in de krop steken (=hinderen , onverwerkt zijn)

50 dialectgezegden bevatten `zijn`

  1. An de latten wezen (=Heel moe zijn) (Giethoorns)
  2. an de rol weest (=met iemand naar bed geweest zijn) (Westfries)
  3. án de wapper ziên (=aan het wandelen zijn) (Horster)
  4. an het labbere end. (=aan het eind van zijn latijn.) (Texels)
  5. an je endje weze (=moe zijn) (Westlands)
  6. an zijn oasme 't iuërn (=volgens zijn gerucht) (Kaprijks)
  7. an zijnn oasme 't iuërn (=naar zijn mening) (Kaprijks)
  8. an-ewarkt ween (=klaar zijn met werken) (Vechtdals)
  9. aoên de pin lékke (=de klos zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. Aoke en Keule zin ook nie gemok op ene daog (=alles heeft zijn tijd nodig) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. aolëk en zaolëg ènsloeke (=in zijn geheel doorslikken) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. aon de pin legke (=de klos zijn) (Mestreechs)
  13. aon één streng trèkke (=eensgezind zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. aon ut moiku (=rommelig bezig zijn) (Maas en waals)
  15. Arrè, zoewaait zemme dan ok wèral. (=Allé, zover zijn we dan ook alweer.) (Turnhouts)
  16. as 'ne boer 'n hin slacht, ès de boer zik och de hin. (=als de boer zijn hen slacht...) (Genker)
  17. as alle lewaed stop konste de rès heire (=er zijn vele geluiden, maar slechts 1 stilte) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. As aoj scheure börre, esj slecht blusse (=Erg verliefd worden op zijn oude dag) (Weerts)
  19. As d'n eine sjaaj haet, haet d'n angere perfiet (=De een zijn dood is de ander zijn brood) (Roermonds)
  20. As de kinderen kleinen zijn terten z' op ou tienen, as ze gruêt zijn op ou erte (=Kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen) (Lokers)
  21. as de vrollie va heusde be hunne vulo weg zen daan es alté wa te beleive (=als de vrouwen van heusden met hun fiets weg zijn dan is er altijd wat te beleven) (Heusdens)
  22. As de zun in't westen steet, bint de lui'n 't drokst (=Als de zon in het Westen staat, zijn de luien het drukst) (Twents)
  23. As een bok op een haeverkiste (=Ergens tuk op zijn) (Giethoorns)
  24. as een bok op een haverkiste (=ergens erg happig op zijn) (drents)
  25. As een geit zijn (=Dronken) (Westlands)
  26. As en stroaljager (=Dronken zijn) (Urkers)
  27. As g' em wolt dueschieten moedde ne meter boven zijne kop mikken, ten èdem recht in zijn pritènse (=Over een hovaardig iemand) (Lokers)
  28. as ge da geleuft zijde van e goe joar (=naief zijn) (Leefdaals)
  29. As ge van 'n duvel sprikt zie-de / tert-e op zèen'n stèert (=Als je over de duivel spreekt zie je / trap je op zijn staart) (Wichels)
  30. as iederéén de iëste viaul wilt spiële, geeste naut een orkest krijge (=er moeten bazen maar ook werkers zijn) (Bilzers)
  31. As je ut over de duivel heb trap ie m op zijn steert. (=we hebben het net over je (als je het over iemand hebt en plotsklaps staat hij / zij voor je) (Utrechts)
  32. As lei bove Moazel . (=Hypothetisch zijn is zinloos .) (Opwijks)
  33. as lëlek zin paajn doeg, dan wont haaj get aofgesnotterd (=lelijk zijn doet geen pijn) (Bilzers)
  34. as se wied wils gape, mós se ouch eine groeëte móndj höbbe (=als je veel geld wilt uitgeven, moet je ook rijk zijn) (Heitsers)
  35. as Slumke doeëd es, krieegdje ziên jeske (=als Slimpie dood is, krijg jij zijn jasje) (Weerts)
  36. As slummeke slum dood is muegde gij dem zijn (=Als iemand iets heel dom gezegd heeft) (Herentals)
  37. As un garre (=Stoned zijn) (Urkers)
  38. as we / ammen uit 'n tèed zèen (=als we dood zijn) (Wichels)
  39. Asof de duvel er mee speult (=Of het zo moest zijn) (Giethoorns)
  40. asofter én zen broek ho (ch) gezeek (=alsof hij in zijn broek had geplast) (Bilzers)
  41. assët op sjoêpsjaere aon kump (=als het er op steekt, bij tijds zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. assët smok dan èssët bedforve (=als je sterke smaak proeft in je eten, kan het wel eens bedorven zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. aste beiste hëbs, moeste de stront terbij pakke (=elk voordeel heeft zijn nadeel) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. aste boer niks moet, vertrèk ter hand noch voet (=boeren zijn eigenzinnig) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. aste graot¨s hoëning wils pikke, moeste de stieke van de bienen ter mér bijpikke (=alle goed heeft ook zijn slechte kanten elke voordeel heb zijn nadeel(Cruyff)) (Munsterbilzen - Minsters)
  46. aste kénder sjiks, kraaj (g) ste kender taus (=kinderen zijn nog altijd kinderen) (Bilzers)
  47. astë knaajn hëbs, moeste de kiëtële tërbij pakke (=elk voordeel heb zijn nadeel (Johan Cruyff)) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. aste mèt den hond slieps krijgs te z'n vlie. (=Wie bij de hond slaapt, krijgt zijn vlooien.) (Genker)
  49. aste stek stijf steet, ès ten aajl al vliege (=als een man een erectie krijgt verliest hij zeker zijn verstand) (Munsterbilzen - Minsters)
  50. aste van graute zaoke wils dreme, moeste zërge daste heil goed wakker bès (=dromen zijn bedrog) (Munsterbilzen - Minsters)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen