Spreekwoorden met `an`

Zoek


2133 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `an`

  1. dat maakt van Jezus nog een ketter (=dat is zelfs bij de meest integer mens een schanddaad)
  2. dat mag met een krijtje aan de balk (=dat is een ongewone gebeurtenis)
  3. dat paard zal mij niet meer slaan (=dat zal mij niet meer gebeuren)
  4. dat raak je aan de straatstenen niet kwijt (=dat is niet te verkopen)
  5. dat raakt kant noch wal (=dat is geen zinnig argument)
  6. dat slaat als een knots op een kangoeroe (=dat choqueert je)
  7. dat slaat als een tang op een varken (=dat slaat nergens op)
  8. dat wast al het water van de zee niet af (=iets is niet meer te veranderen/aan te passen)
  9. dat zal je de dood niet aandoen (=iets is niet zo erg is als het lijkt)
  10. dat zet geen zoden aan de dijk (=dat is geen bijdrage van serieuze betekenis)
  11. de aanhouder wint (=wie volhoudt, zal uiteindelijk succes hebben.)
  12. de aanval bloedt dood (=de aanval komt geleidelijk uit op een mislukking)
  13. de aanval is de beste verdediging (=je kunt in een strijd of ruzie beter zelf actie ondernemen dan afwachten)
  14. de aard van het beestje (=het karakter van iemand)
  15. de appel valt niet ver van de stam/boom (=kinderen lijken vaak op de ouders)
  16. de bal aan het rollen brengen (=de aanzet geven)
  17. de bal misslaan (=zich vergissen)
  18. de balans opmaken (=kijken hoe iets verlopen is; nagaan of je ergens voordeel of nadeel van hebt gehad)
  19. de barricades opgaan (=actie voeren om iets voor elkaar te krijgen of juist tegen te houden)
  20. de bastaard van de graaf wordt later bisschop (=alleen hoge heren kunnen hun buitenechtelijke kinderen een toekomst bieden)
  21. de beest spelen/uithangen (=zich onbeschoft gedragen)
  22. de beren zien dansen (=honger hebben)
  23. de beste paarden staan op stal. (=de leukste meisjes gaan niet uit)
  24. de beste stuurlui staan aan wal (=de toeschouwers kunnen het altijd beter dan de uitvoerders)
  25. de bietenbrug opgaan (=falen, ten onder gaan, zwaar verliezen)
  26. de bijl aan de wortel leggen (=het kwaad in de oorsprong trachten uit te roeien)
  27. de bijl ligt al aan de wortel (=de straf zal spoedig volgen)
  28. de bodem inslaan (=vernietigen (bv.: de hoop de bodem inslaan))
  29. de boel aan kant maken (=opruimen)
  30. de boer op gaan (=de (niet-fysieke) markt opgaan om iets te verkopen / verdwalen / de stad verlaten)
  31. de bokken van de schapen scheiden (=de goeden van de kwaden scheiden)
  32. de boog kan niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
  33. de boon van de koek gekregen hebben (=geluk gehad hebben)
  34. de boot is aan (=de maat is vol)
  35. de bordjes zijn verhangen (=de omstandigheden zijn veranderd)
  36. de bovenhand krijgen (=winnen, zegevieren)
  37. de brede weg opgaan (=zondigen)
  38. de breedste riemen worden uit andermans leer gesneden (=het is gemakkelijk met kwistige hand te beschikken over wat een ander toebehoort)
  39. de Breeveertien opgaan (=verkeerde dingen doen)
  40. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  41. de broodkorf hoger hangen. (=bezuinigen)
  42. de bui zien hangen (=een ongunstige situatie aanvoelen voordat deze zich daadwerkelijk voordoet)
  43. de buikriem/broekriem aanhalen (=spaarzamer worden)
  44. de centen dansen hem in de zak. (=hij kan niets sparen)
  45. de dag met manden uitdragen (=tijd verdoen)
  46. de dampen aandoen (=pesten)
  47. de dans om het gouden kalf (=de strijd om rijk te worden)
  48. de dans ontspringen (=niet in het onheil betrokken worden)
  49. de degen/harnas aangespen (=zich op de strijd voorbereiden)
  50. de deksel van de pot aflichten. (=bekendmaken wat voorheen verborgen was)

2469 betekenissen bevatten `an`

  1. de natuur is sterker dan de leer (=datgene wat aangeleerd is wordt gauw vergeten)
  2. de kraan dichtdraaien (=de (financiële) hulp sterk verminderen of stopzetten)
  3. de boer op gaan (=de (niet-fysieke) markt opgaan om iets te verkopen / verdwalen / de stad verlaten)
  4. in het oog springen/vallen (=de aandacht trekken)
  5. veel bekijks hebben (=de aandacht trekken)
  6. uit het oog, uit het hart (=de aandacht voor iemand verliezen, als die persoon niet meer in de nabijheid is)
  7. de aanval bloedt dood (=de aanval komt geleidelijk uit op een mislukking)
  8. de bal aan het rollen brengen (=de aanzet geven)
  9. volgens Bartjens (=de allereenvoudigste rekenstof (als referentie aan onderwijzer Willem Bartjens die een bekend rekenboekje schreef))
  10. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  11. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  12. de kurk waarop de zaak drijft (=de basis (steun) van het geheel)
  13. iemands rechterhand zijn (=de belangrijkste assistent zijn)
  14. het beste paard van stal (=de belangrijkste persoon in het gezelschap)
  15. ketters wonen het dichtst bij de paus (=de beste vrienden van een machtig man zijn vaak zijn grootste vijanden)
  16. de mei van het leven (=de bloeitijd van het leven)
  17. driemaal is scheepsrecht (=de derde keer zal je wel gaan lukken)
  18. in de kerk geboren zijn (=de deur open laten staan)
  19. tussen de regels door lezen (=de diepere betekenis van een tekst begrijpen)
  20. het kastje bij het muurtje laten blijven (=de dingen niet gaan overdrijven)
  21. achter de coulissen kijken (=de echte toestand zien (ontdekken))
  22. het waren allebeiden vuilaards. (=de een verwijt de ander iets waaraan hij zich)
  23. de eerste stoot opvangen (=de eerste problemen opvangen)
  24. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  25. de eigen boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
  26. het bloed spreekt (=de familieband doet zich opmerken)
  27. de admiraal heeft geschoten. (=de gastheer heeft het sein gegeven te gaan eten.)
  28. herenzonden boerenleed. (=de gewone mensen boeten voor de fouten van de mensen met macht)
  29. goede papieren hebben (=de goede eigenschappen hebben (voor een baan))
  30. in diskrediet brengen (=de goede naam aantasten)
  31. de bokken van de schapen scheiden (=de goeden van de kwaden scheiden)
  32. paal en perk stellen (=de grens leggen / een einde stellen aan)
  33. de druk is van ketel (=de grootste spanning is voorbij)
  34. alles kort en klein slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  35. als de vis goedkoop is stinkt ze (=de herkomst ergens van is niet te vertrouwen)
  36. eén onderrok trekt meer dan twee paarden. (=de invloed van een vrouw is heel sterk)
  37. een vrouwenhaar trekt sterker dan tien paarden. (=de invloed van een vrouw is zeer sterk)
  38. zoals de ouden zongen piepen de jongen (=de jongeren leren het van de ouderen)
  39. de rechte man op de rechte plaats (=de juiste man voor de juiste taak)
  40. bomen ontmoeten elkaar niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  41. er dik in zitten (=de kans is groot dat het zo is)
  42. de gelegenheid bij de haren grijpen (=de kans niet laten voorbijgaan)
  43. aan een zijden draadje hangen (=de kansen zijn nog niet verkeken, maar het scheelt erg weinig)
  44. de spijker op de kop slaan (=de kern van de zaak benoemen)
  45. het koren van de molen zenden (=de klanten wegjagen - zichzelf benadelen)
  46. zo heer zo knecht (=de knechten volgen het voorbeeld van de bazen)
  47. ars longo vita brevis (=de kunst blijft lang en het leven is kort)
  48. door het kluisgat aan boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
  49. de beste paarden staan op stal. (=de leukste meisjes gaan niet uit)
  50. de draad kwijt zijn (=de loop van het verhaal niet meer kunnen volgen)

50 dialectgezegden bevatten `an`

  1. ge goat er moet'n joen leen'n an leg'n (=je zult je extra moeten inspannen) (Wevelgems)
  2. Ge het de kónt nog nie gedreid of ze zien al an de geng (=Ze kunnen niet wachten om te beginnen) (Wells)
  3. ge hit iets an de hand (=er is iets mis) (Heusdens)
  4. ge kuint 'r ne puint an zooin (=je zult het niet beter kunnen (niet overtreffen) (uitdagend gezegd) ) (Waregems)
  5. ge kuint d'r an zulle! (=je ontgoochelt mij hoor!) (Waregems)
  6. ge kunt er gièène rechterkant an kriegn (=je kunt er niets mee aanvangen) (Kortemarks)
  7. Ge went an allus, zelfs bonpoalen op uwe kop anspitsen (=Je kunt aan alles wennen als je maar volhoudt.) (Lierops)
  8. ge zie t'èënt de meulestroade / tot an 't èëndeken (=je kan in haar decolleté kijken) (Kaprijks)
  9. ge zij loat' an (=je bent later dan normaal) (Waregems)
  10. ge zoe ze soms an de muur plakkn (=het zijn lastige kinderen) (Kaprijks)
  11. ge zoet er jne doîd an aoln (=je zou het besterven) (Kortemarks)
  12. ge zoet er jne doîd an oaln (=je zou het besterven) (Lichtervelds)
  13. geef t is effe an asjeblaf/belief (=Zou je dit/dat even voor mij willen pakken?) (Utrechts)
  14. geen kweeltje an (=zo goed als nieuw) (Flakkees)
  15. Geen touw an vast te knahpe (=Begrijp er niks meer van) (Slands)
  16. gen naegels om an zun gat te klauwe (=platzak) (Alblasserdams)
  17. get eu kessens verkeerd an (=doe je kousen goedd aan) (Evergems)
  18. gèt ne schunn tenuu an (=je hebt mooie kleren aan) (oudenaards)
  19. gieën'n droad an gebrookn (=niets aan de hand) (Waregems)
  20. gieënn noale om an zijn gat te schartn (=arm zijn) (Kaprijks)
  21. gien hoar op mien kop die d'r an denkt (=ik denk er beslist niet aan) (Westerkwartiers)
  22. Gien lid an me laif. (=Geen haar op mijn hoofd.) (zaans)
  23. gienn noaale vur an zijn gat te schartn (=heel arm zijn) (Knesselaars)
  24. gin naagel èn voer an ze gat te schart'n (=Arm zijn) (Veurns)
  25. gin naagel en vor an ze gat te schartn (=heel arm zijn) (Veurns)
  26. ginne naagel voer an zin gat te skart'n (=berooid zijn) (Wevelgems)
  27. gjeen naogel om an zin hat te kraowen (=geen geld hebben) (Zeeuws)
  28. goa mee eu poepe van de zulle, en doe keiskes an eu voete (=ga met je achterste van de dorpel en doe je kousen aan) (Gents)
  29. Goat olichte myn an d'een (=Nog 1 keer en ik zal u slaan) (Harelbeeks)
  30. griezele grapp'm nog es an toe (=tsjonge-jonge) (Westerkwartiers)
  31. gunst nog es an toe (=tjonge nog aan toe) (Westerkwartiers)
  32. Hai heb 't niet an z'n geefklier (=Hij is niet vrijgevig) (Westfries)
  33. haj is an de vlugge (=hij heeft diarree) (Boakels)
  34. He'j 'n good wies an diggeln (=Heb je ze niet allemaal op een rijtje / ben je niet goed wijs?) (Twents)
  35. He'j 't an de tied (=Schikt het even) (Drents)
  36. Hea hat nog ginge nagel um zich an de vót te kratse (=Hij is straatarm) (Mechels (NL))
  37. heanig an doe (=rustig aan doen) (Vechtdals)
  38. heb ie juk an oe snuutjen? (=wil je vechten?) (Achterhoeks)
  39. hee hef de bokse an (=hij heeft de broek aan) (Twents)
  40. hee is an de zöppe (=hij is aan de drank) (Twents)
  41. heej is àn den dunne / àn de schiet (=hij heeft diarree) (Wells)
  42. heej kiekt òw net án of-ie 't ien Kölle huuërt doondere (=hij kijkt je net aan alsof hij het in Keulen hoort donderen) (Venrays)
  43. hendig an (=kalm aan) (Achterhoeks)
  44. hendig an doon (=Doe het maar rustig aan) (Achterhoeks)
  45. hest de raffels an de bek hangen (=je praat te veel) (Leewarders)
  46. het an zen gette hemme (=het aan zijn been hebben (getten = slobkousen)) (Tiens)
  47. Het gin naogol um an de reet te krabbuh (=Arm) (Nijmeegs)
  48. het spek an zin kloten (=het zitten hebben) (Zuid-west-vlaams)
  49. Heuj an de kirre (=Hooi op een rij) (Epers)
  50. Hi-j het de ore köt an de kop zitte. (=hij is gevoelig voor wat er over hem gezegd wordt.) (Barghs)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen