Spreekwoorden met `voor`

Zoek


263 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `voor`

  1. vooruit met de geit (=komaan, we doen voort.)
  2. voorzichtigheid is de moeder der wijsheid (=doe het voorzichtig, dan komt er geen schade)
  3. voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast (=door voorzichtig te zijn, gaan tere zaken langer mee)
  4. wat doe je voor de kost? (=hoe verdien je je geld?)
  5. wat voor vlees men in de kuip heeft (=wat voor iemand (of iets) het is)
  6. weten wat voor vlees men in de kuip heeft (=weten met wat voor iemand men te doen heeft)
  7. wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in (=wie een ander iets wil misdoen, kan er zelf het slachtoffer van worden)
  8. wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje (=je kunt nooit boven de stand komen waarin je geboren bent. Arm geboren, zal wel arm blijven)
  9. wie voor het oortje geboren is, zal tot de stuiver niet geraken (=wie in een lage sociale klasse geboren is, zal niet in een hogere sociale klasse terechtkomen)
  10. wie zich voor hond verhuurt, moet de botten kluiven (=wie zich onderdanig gedraagt, wordt als knecht behandeld)
  11. zaken gaan voor het meisje. (=verplichtingen zijn belangrijker dan plezier)
  12. zo klaar als een klontje voor iemand zijn (=het helemaal begrijpen)
  13. zuivel op zuivel is voer voor de duivel (=werd gezegd als je te veel zuivel at terwijl het schaars was)

556 betekenissen bevatten `voor`

  1. ieder trekt aan zijn streng (=ieder kiest voor zichzelf)
  2. elk is een dief in zijn nering (=ieder zoekt zijn voordeel)
  3. men vindt geen molenaar of hij at gestolen koren. (=ieder zoekt zijn voordeel, ook al is het ten koste van anderen.)
  4. maak je bed zoals je wilt slapen (=iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen daden)
  5. ieder is zichzelf het naast (=iedereen kiest in het slechtste geval voor zichzelf)
  6. men heeft hem de hoorns opgezet (=iemand (vooral een bekende) heeft een relatie met zijn vrouw)
  7. iemand iets in de schoenen schuiven (=iemand aanwijzen als de schuldige of als de verantwoordelijke voor een mislukking)
  8. iemand doodverven met iets (=iemand bestemd voor een post achten, iemand als de dader van iets afschilderen (doodverf is grondverf)[1])
  9. een kale kip kan nog leggen (=iemand die niets heeft, kan nog voor je werken)
  10. de dorsende os zult gij niet muilbanden (=iemand die voor je werkt moet je goed behandelen)
  11. een gewaarschuwd mens telt voor twee (=iemand die vooraf weet wat er fout kan gaan moet zich er maar op voorbereiden)
  12. een profeet die brood eet (=iemand die waardeloze voorspellingen doet)
  13. een brutaal mens heeft de halve wereld (=iemand die wat durft te zeggen krijgt het meestal wel voor elkaar)
  14. een held op sokken (=iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik)
  15. het zonnetje in huis (=iemand die zorgt voor een goede, opgeruimde sfeer)
  16. iemand in het gareel slaan (=iemand dwingen voor je te werken, iemand aan het werk zetten)
  17. iemand een worst voorhouden (=iemand een voordeeltje in het vooruitzicht stellen, teneinde hem te bewegen ergens mee akkoord te gaan)
  18. iemand met een zwarte kool tekenen (=iemand erg ongunstig voorstellen)
  19. in zijn zak hebben (=iemand goed kennen, iets helemaal begrijpen, iets voor elkaar hebben)
  20. iemand het brood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorzien)
  21. iemand blij maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzicht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
  22. iemand voor het lapje houden (=iemand iets wijs maken of voor de gek houden)
  23. voor het blok zetten (=iemand onverwacht in een lastige positie brengen; bijvoorbeeld iemand dwingen te reageren die dat eigenlijk niet wil, of iemand dwingen een keuze te maken.<>)
  24. iemand uitmaken voor rotte vis (=iemand uitschelden voor alles wat mooi en lelijk is)
  25. met iemand spelen als de kat met de muis (=iemand voor de gek houden)
  26. met iemand zijn voeten spelen (=iemand voor de gek houden)
  27. iemand in de maling nemen (=iemand voor de gek houden)
  28. iemand bij de neus nemen (=iemand voor de gek houden; iemand bedriegen)
  29. iemand voor het naadgaren zetten (=iemand voor de schulden laten opdraaien)
  30. bloot slaat dood (=iemand voor het blok zetten: iemand dwingen een keuze te maken)
  31. iemand van het kastje naar de muur sturen (=iemand voor niets heen en weer laten lopen)
  32. als een luis in iemands pels zijn (=iemand voortdurend in de weg lopen. Iemand tegenwerken)
  33. de pik op iemand hebben (=iemand voortdurend plagen of aanvallen)
  34. iemand op zijn nummer zetten (=iemand zeer nadrukkelijk op zijn fouten wijzen, op een wijze die voor die persoon beschamend is)
  35. een voetveeg zijn (=iemand zijn die voor minderwaardige klusjes gebruikt wordt)
  36. iemand ergens voor warm maken (=iemands interesse voor iets opwekken)
  37. iemands voetstappen drukken (=iemands voorbeeld volgen of hetzelfde beroep gaan doen)
  38. het werkt als haarlemmerolie (=iets dat overal voor te gebruiken is)
  39. een adder aan zijn borst/boezem koesteren (=iets doen voor een ondankbaar iemand)
  40. kolen op iemands hoofd stapelen (=iets goed doen voor een onvriendelijke persoon)
  41. rozen voor de varkens/zwijnen strooien (=iets goed doen voor mensen die dat niet waarderen)
  42. goedkoop is duurkoop (=iets goedkoops kan later kosten veroorzaken, bijvoorbeeld door slechte werking, reparaties of onderhoud)
  43. vurige kool op iemands hoofd stapelen (=iets goeds doen voor een vijandig persoon)
  44. een gevoelige snaar raken (=iets ligt erg gevoelig bij iemand, belangstelling hebben voor een bepaald onderwerp en iemand die dan aandacht heeft ervoor)
  45. iets prediken/verkondigen (=iets luid, voor iedereen, verkondigen)
  46. iets blauw blauw laten (=iets maar laten voor wat het is, er niet meer over praten)
  47. iets met een korreltje zout nemen (=iets niet helemaal voor waarheid aannemen)
  48. een ondergeschoven kindje zijn (=iets of iemand is miskend. Zie bedstede voor de letterlijke betekenis)
  49. een ei in het nest laten (=iets op voorraad hebben)
  50. iets achter de hand hebben (=iets ter beschikking hebben voor wanneer het nodig mocht zijn (bv nood))

50 dialectgezegden bevatten `voor`

  1. dae hèttër ën hendsje van voert (=dat is typisch voor hem) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. Dae hilt dich fien veur de gek (=Die houdt je mooi voor de gek) (Roermonds)
  3. Dae is neet zoea stòm es wie der oet zuut!! (=Die laat zich niet voor de gek houden!!) (Steins)
  4. Dae is nog ginge sjót pólver wead (=Die persoon is geen knip voor de neus waard) (Mechels (NL))
  5. Dae is veur d' n duùvel neet bang (=Hij is nergens bang voor) (Venloos)
  6. dae kan aete kan ook wërke (=voor wat hoort wat) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. dae kan nog nie ës ne lieëge zak raech zètte (=die is voor niks goed !) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. dae loet zich van kop tot tein bezeeke (=hij laat zich helemaal voor de gek houden) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. dae wor tër nie zoe sjiëtëg op (=hij was er niet zo voor te vinden) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. dae zie gaat verbörtj, mót oppe blaore zitte (=wie iets doms doet moet er voor boeten) (Weerts)
  11. dae ziet mér de hëlf vannët sjaun waer (=die maakt maar weinig mee wat er voor zijn ogen gebeurt) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. Dalik höbs dich ein plekke (=Iemand waarschuwen voor een klap) (Gelaens (Geleens))
  13. dalik kome de boekkels (=pas op voor de enge geesten) (Sevenums)
  14. Dan ben je best (=Als iemand het goed voor elkaar heeft) (Lopiks)
  15. Dan hilt dien kuntje kermes (=Dan krijg je een pak voor de broek) (Venloos)
  16. dan krèg ik ut op mùnne bult (=dan krijg ik het voor mijn kiezen) (Steenbergs)
  17. dan lupter op kepot (=dan zie je het voor je liggen / staan) (Geldrops)
  18. Dao haet dae ein hendje aan! (=Dat is typisch wat voor hem!) (Steins)
  19. dao haet tae ei hendsje aan (=dat is typisch iets voor hem) (Geuls)
  20. dao höbs se ’t smiete inne glazer (=men waarschuwt ergens voor maar toch gaat het mis) (Heitsers)
  21. Dao vèltj gein rechte voor met te plooge (=Daar valt geen land mee te bezeilen) (Weerts)
  22. daor istie nie mir overeene gekomme (=dat is voor hem altijd te veel geweest) (Oudenbosch)
  23. Daor motte ow vûr ware (=Daar moet je voor uitkijken) (Wells)
  24. daor wee'k neks van (=deze informatie is geheel nieuw voor mij) (Bredaas)
  25. Das 'n scheet in 'n fles (=Dit stelt niets voor) (Bevers)
  26. das ammël vër den hond zën kloete (=dat is totaal voor niets, zonder succes) (Munsterbilzen - Minsters)
  27. das flaaë kul (=dat is praat voor de vaak) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. das gieen spek veur mijnen bek (=dat is te duur voor mij) (Vels)
  29. das goed vër de vërautgang van den aaterautgang (=dat is bevorderlijk voor de stoelgang) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. das in de sjakos (=dat is voor elkaar) (Antwerps)
  31. das in de sjakos (=dat is voor elkaar) (Sint-Niklaas)
  32. das nen flebbekak (=die heeft een boontje voor) (Ransts)
  33. das nen heilen opstand vër ne niks (=heel wat twist voor een niemendalleke) (Munsterbilzen - Minsters)
  34. Das nief. (=Deze informatie is geheel nieuw voor mij.) (Olens)
  35. das pier krelkëskraut (=die is zuiver onkruid (hij deugt voor niets) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. das te laus èn mëne pëls (=die loopt me voortdurend voor de voeten) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. Das ve fleus (=Dat is voor straks) (Mechels (BE))
  38. das vijf kërre niks (=dat stelt niets voor) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. das zever èn pekskes---das dikke zever (=dat is praat voor de vaak) (Munsterbilzen - Minsters)
  40. das zjus ën begaajn (=die doet zich voor als een heilige) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. dasnie de ware Jacob (=die betrouw ik voor geen haar) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. dassem krek en gesjieëte (=dat is typisch voor hem) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. dat begroot me veur heur (=dat vind ik naar voor haar) (Westerkwartiers)
  44. dat begroot me veur jem (=dat vind ik niet leuk voor jullie) (Westerkwartiers)
  45. dat begroot mij allernoast (=dat vind ik erg naar voor u) (Westerkwartiers)
  46. dat dank zich den aajl (=dat spreekt voor zichzerlf) (Munsterbilzen - Minsters)
  47. dat doog vér niks (=dat is nergens goed voor) (Bilzers)
  48. dat geef ik dij op ' n briefke (=daar sta ik borg voor) (Westerkwartiers)
  49. Dat geeft best wat voor ons. (=Daar verdienen we best goed aan.) (Bollenstreeks)
  50. dat geet haaj geen verf pakke (=daar steek ik een stokje voor) (Munsterbilzen - Minsters)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen