Spreekwoorden met `el`

Zoek


1052 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `el`

  1. door de ziel gaan (=erg pijnlijk of verdrietig zijn)
  2. door de zure appel (heen)bijten (=het onaangename doen of over zich heen laten gaan)
  3. een appeltje met iemand te schillen hebben (=nog een vervelend onderwerp met iemand te bepraten hebben)
  4. een appeltje voor de dorst (=een reserve voor moeilijke tijden die mogelijk nog gaan komen)
  5. een blind varken vindt ook nog wel eens een eikel. (=zelfs iemand die niet erg intelligent is heeft soms geluk en doet iets goed)
  6. een blinde kip vindt ook nog wel eens een graankorrel. (=zelfs iemand die niet erg intelligent is heeft soms geluk en doet iets goed)
  7. een blinde schiet soms wel eens een kraai. (=zelfs iemand die niet erg bedreven is heeft soms geluk en doet iets goed)
  8. een boom van een kerel (=een grote man)
  9. een brok in de keel krijgen (=emotioneel aangedaan zijn)
  10. een brutaal mens heeft de halve wereld (=iemand die wat durft te zeggen krijgt het meestal wel voor elkaar)
  11. een daad stellen. (=concrete aktie ondernemen)
  12. een deksel op de kop hebben (=de verantwoordelijkheid voor iets nemen)
  13. een dooie boel. (=een saaie bedoening)
  14. een dronken vrouw is een engel in bed (=drank draagt bij aan het beëindigen van de tegenstand)
  15. een druppel op een gloeiende plaat (=een zeer kleine bijdrage aan iets groters)
  16. een eed met boter bezegeld. (=een belofte zonder echte intentie om de belofte na te komen)
  17. een eitje met iemand te pellen hebben (=hetzelfde als: een appeltje met iemand te schillen hebben. Nog iets met iemand moeten oplossen.)
  18. een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen (=men maakt geen twee keer dezelfde fout)
  19. een fluwelen tong hebben (=met gladde woorden mensen kunnen overtuigen)
  20. een geeltje van de plank nemen (=een oude preek herhalen)
  21. een gek en zijn geld blijven nooit lang bij elkaar (=geld uitgeven aan nutteloze en onnodige dingen)
  22. een geloof dat bergen kan verzetten (=een sterk geloof)
  23. een geluk bij een ongeluk (=terwijl iets mis gaat, gaat iets anders goed)
  24. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  25. een gevoelige snaar raken (=iets ligt erg gevoelig bij iemand, belangstelling hebben voor een bepaald onderwerp en iemand die dan aandacht heeft ervoor)
  26. een gewaarschuwd mens telt voor twee (=iemand die vooraf weet wat er fout kan gaan moet zich er maar op voorbereiden)
  27. een gladde vogel (=iemand die zich overal weet uit te redden op slinkse wijze)
  28. een goed gelaat is de beste geleidebrief. (=als je knap bent krijg je veel voor elkaar)
  29. een goed zeeman wordt ook wel eens nat (=ieder kent zijn tegenslagen)
  30. een goede gevel versiert het huis. (=gezegd over mensen met een grote neus)
  31. een goede haan kraait nog wel eens weer. (=een goede leider waarschuwt meer dan eens)
  32. een gouden zadel maakt geen ezel tot paard. (=een mens verandert niet door uiterlijkheden)
  33. een hard gelag zijn (=iets is moeilijk te dragen)
  34. een hark zonder steel (=iets waardeloos)
  35. een heel alfabet (=een heleboel)
  36. een held op sokken (=iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik)
  37. een hele jan zijn (=een grote vent zijn)
  38. een hele Piet (=iemand die meetelt)
  39. een Homerisch gelach (=harde en gemene lach om het ongeluk, de mislukking of de handicap van tegenstrevers.)
  40. een kaars voor de duivel branden (=slechte daden goedpraten omdat er je er voordeel uit kan halen)
  41. een keel als schuurpapier hebben (=een erg droge keel (keelpijn) hebben)
  42. een keel opzetten (=hard schreeuwen)
  43. een kerel als Kas (=een stevig gebouwde kerel (ironisch bedoeld))
  44. een ketting is niet sterker dan de zwakste schakel (=het geheel is maar zo sterk als het zwakste onderdeel)
  45. een kink in de kabel komen (=iets tussen komen)
  46. een kleine aardappel moet je niet schillen (=aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  47. een kluwtje dat vanzelf afloopt. (=iets wat zich vanzelf oplost)
  48. een knuppel in het hoenderhok gooien (=opschudding veroorzaken)
  49. een knuppel in het honderd gooien (=kritiek geven zonder namen te noemen)
  50. een kronkel in je hersens hebben (=vreemde gedachtes hebben)

2012 betekenissen bevatten `el`

  1. het koren van de molen zenden (=de klanten wegjagen - zichzelf benadelen)
  2. zo heer zo knecht (=de knechten volgen het voorbeeld van de bazen)
  3. de laatste der Mohikanen zijn (=de laatste zijn die nog ergens in gelooft)
  4. door het kluisgat aan boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
  5. de krenten uit de pap halen (=de meest aantrekkelijke gedeelten voor zichzelf bestemmen, bijvoorbeeld de meest interessante taken uit een omvangrijk werk)
  6. eerste viool willen spelen (=de meest prominente taak willen vervullen, bijvoorbeeld als leider of woordvoerder van de groep)
  7. er is meer dan een koe die blaar/bles heet (=de mening van anderen telt ook)
  8. er is meer gelijk dan eigen gelijk (=de mening van anderen telt ook)
  9. iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
  10. regen in mei, dan is april voorbij (=de natuur kiest vanzelf de goede volgorde)
  11. de mug uitzuigen en de kameel doorzwelgen (=de onschuldige straffen en zelf schaamteloos zondigen)
  12. met zijn talenten woekeren (=de persoonlijke mogelijkheden/gaven goed gebruiken)
  13. een streep door de rekening halen (=de schuld van iemand kwijtschelden en het er niet meer over hebben)
  14. genade voor recht laten gelden (=de straf kwijtschelden)
  15. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  16. tijd heeft vleugels en geen teugels. (=de tijd gaat snel en is niet te beïnvloeden)
  17. de tijd kent geen genade (=de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt)
  18. hora ruit (=de tijd vliet snel)
  19. met de helm (op) geboren zijn (=de toekomst kunnen voorspellen / bijzonder voorzichtig zijn)
  20. je planeet lezen (=de toekomst voorspellen)
  21. de kaart leggen (=de toekomst voorspellen)
  22. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  23. een deksel op de kop hebben (=de verantwoordelijkheid voor iets nemen)
  24. wie de pot breekt betaalt de scherven (=de veroorzaker van schade moet de situatie zelf rechtzetten.)
  25. de kaas niet van het brood laten eten (=de voordelen niet zomaar laten afpakken)
  26. er geen doekjes om winden (=de waarheid onverbloemd vertellen)
  27. weten waar de aal kruipt (=de ware bedoelingen van iemand doorzien)
  28. lector benevolente (=de welwillende lezer)
  29. mundus vult decipi (=de wereld wil bedrogen worden)
  30. de leer veroordelen maar de leraar sparen (=de wortel van het probleem niet aanpakken)
  31. de lens is uit de wagen (=de zaak is vastgelopen)
  32. het varken is door de buik gestoken (=de zaak is vooraf bedisseld)
  33. het vlees doden (=de zinnelijke behoeften onderdrukken)
  34. het katje van de baan (=degene die baas speelt)
  35. de waarheid in pacht hebben (=denken de enige te zijn die de waarheid kent of vertelt)
  36. uit dezelfde klei gebakken zijn (=dezelfde afkomst hebben)
  37. aan hetzelfde euvel mank gaan (=dezelfde fouten maken als iemand anders)
  38. eén lijn trekken / Dezelfde lijn trekken (=dezelfde mening hebben)
  39. van hetzelfde laken een pak (=dezelfde soort aanpak of respons)
  40. uit hetzelfde vaatje tappen (=dezelfde standpunten of opvattingen delen.)
  41. het heen en weer krijgen (=diarree krijgen - vooral gezegd van iets dat helemaal niet bevalt)
  42. op een kluitje (=dicht bij elkaar)
  43. dat zaakje zal wel doodbloeden (=die kwestie zal geleidelijk aan wel worden vergeten)
  44. tussen die twee was er geen chemie (=die twee mensen hadden te veel karakterverschillen om goed te kunnen samenwerken)
  45. uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  46. wiens brood men eet, diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  47. het paard dat de haver verdient krijgt ze niet (=diegene die het goede gedaan heeft, krijgt de beloning niet)
  48. moet is een bitter kruid. (=dingen die men moet doen kunnen onaangenaam of vervelend zijn.)
  49. niet kunnen rijmen (=dingen die niet met elkaar kloppen of het samen niet kunnen begrijpen)
  50. je kan niet door een muur lopen, behalve als er een deur in zit (=dingen kunnen alleen gedaan worden als er een reële kans toe is)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen