Spreekwoorden met `an`

Zoek


2133 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `an`

  1. bergafwaarts gaan (=het gaat steeds slechter, bijvoorbeeld met iemands gezondheid)
  2. beter blode Jan dan dode Jan (=het is beter zich laf blood te gedragen, dan te sterven, dood te zijn)
  3. beter blooie Piet dan dooie Piet (=beter een aarzelend iemand dan iemand die ondoordacht handelt)
  4. beter een blind paard dan een leeg halster. (=beter iets dan niets)
  5. beter één ezel voor de ploeg dan twee paarden op stal. (=kiezen voor zekerheid.)
  6. beter een goede buur dan een verre vriend (=vriendschap op afstand is minder waardevol)
  7. beter een half ei dan een lege dop (=beter iets dan helemaal niets)
  8. beter één vogel in de hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
  9. beter ermee verlegen dan erom verlegen (=liever van iets te veel dan van iets te weinig hebben)
  10. beter hard geblazen dan de mond gebrand (=het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid iets fout gaat)
  11. beter kleine meester dan grote knecht (=liever een bescheiden zelfstandige dan een grote knecht bij een baas)
  12. beter laat dan nooit (=het is beter dat iets een beetje te laat komt, dan dat het nooit gebeurt)
  13. beter onbegonnen dan ongeeindigd (=beter niet beginnen als men het niet kan afwerken)
  14. beter rapen aan eigen dis dan elders vlees of vis (=oost West thuis best)
  15. beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald (=je kan beter iets voortijdig stoppen dan doorgaan tot het helemaal verkeerd gaat)
  16. beter thuis rapen eten dan elders gebraad. (=thuis is het altijd nog het beste.)
  17. beter van een stad dan van een dorp (=beter dat een rijke betaalt dan een arme)
  18. beurs op de knip / Hand op de knip (=geen geld (meer) uitgeven)
  19. bij de duivel te biecht gaan (=bij de vijand om raad gaan)
  20. bij elk heilig huisje aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  21. bij elkaar flansen (=samenrapen)
  22. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  23. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. (=bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  24. bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
  25. bij het walletje langs (=op het nippertje, zuinig)
  26. bij iemand aankloppen (=hulp vragen)
  27. bij iemand in het krijt staan (=aan iemand iets schuldig zijn)
  28. bij iemand nog wel kunnen schoolgaan (=aan iemand nog een voorbeeld kunnen nemen)
  29. blijf aan jouw kantje (=je mag hem niet aanraken, hij is niet aanspreekbaar)
  30. boerenverstand (=zonder scholing toch slim zijn)
  31. boompje groot, plantertje dood (=sommige dingen hebben effecten die je niet kunt voorzien)
  32. bot vangen (=ernaast pakken, het niet krijgen)
  33. boter aan de galg smeren (=tevergeefse moeite doen, iets zal niet helpen)
  34. botertje aan de boom zijn / het is botertje tot de boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  35. boven aarde staan (=overleden zijn maar nog niet begraven)
  36. boven de pet gaan (=er niets van begrijpen)
  37. boven de wet staan (=niet gebonden zijn aan de wet)
  38. boven het hoofd hangen (=te wachten staan)
  39. boven Jan zijn (=uit de problemen zijn)
  40. branden als een (tiere)lier (=een heel erg hevige brand)
  41. branden als een fakkel (=zeer fel branden)
  42. brandende kwestie (=een dringende, actuele zaak)
  43. buiten de kerf gaan (=als iets te ver gaat)
  44. buiten zijn boekje gaan (=meer doen dan toegelaten)
  45. buiten zijn hoefslag gaan (=hij heeft er geen invloed over)
  46. buiten zijn rekening gaan. (=als het anders loopt dan verwacht)
  47. bulken van het geld (=geld in overvloed hebben)
  48. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  49. buurmans leed troost (=door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen)
  50. commandeer je hond en blaf zelf (=dat bevel weiger ik uit te voeren)

2469 betekenissen bevatten `an`

  1. van je buik een afgod maken (=belang hechten aan lekker eten en drinken)
  2. wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  3. op je achterste zolder jagen (=beledigen, bang maken)
  4. heeft de duivel het paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=ben je eenmaal in de macht van slechte mensen, dan wordt het alleen maar erger)
  5. heeft de duivel `t paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  6. het tij wacht op niemand. (=benut kansen voor het te laat is)
  7. geen mens is zijn eigen maker. (=beoordeel iemand niet om hun uiterlijk.)
  8. maak je borst maar nat (=bereid je voor op een zware klus (of op veel tegenstand))
  9. op een kratje zitten als dat nodig is (=bereid zijn om je aan te passen aan minder luxe)
  10. ik wil hogerop, zei de jongen en hij kwam aan de galg. (=bereik je doel op een eerlijke manier)
  11. er voor gaan (=besluiten aan een onzekere onderneming te beginnen en zich er volledig voor in te zetten)
  12. beter van een stad dan van een dorp (=beter dat een rijke betaalt dan een arme)
  13. beter blooie Piet dan dooie Piet (=beter een aarzelend iemand dan iemand die ondoordacht handelt)
  14. beter een half ei dan een lege dop (=beter iets dan helemaal niets)
  15. beter een blind paard dan een leeg halster. (=beter iets dan niets)
  16. beter onbegonnen dan ongeeindigd (=beter niet beginnen als men het niet kan afwerken)
  17. geen slapende honden wakker maken (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  18. goed uit de verf komen (=beter tot uiting komen of succesvoller zijn dan verwacht.)
  19. om kaneelwater lopen (=beuzelwerk doen - van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  20. iemand iets heten liegen (=beweren dat iemand gelogen heeft)
  21. met hangende pootjes thuiskomen (=bewust van schuld (thuis)komen / zeer tegen zijn zin)
  22. aan het (sleep)touw houden (=bezig houden / aan het lijntje houden)
  23. captie maken (=bezwaren/aanmerkingen maken)
  24. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  25. op de poot spelen (=bij de kleinste tegenslag flink te keer gaan/razen)
  26. bij de duivel te biecht gaan (=bij de vijand om raad gaan)
  27. in andermans weide lopen de vetste koeien. (=bij een ander lijkt het altijd beter)
  28. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  29. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. (=bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  30. bij de tekst blijven (=bij het oorspronkelijke plan blijven)
  31. waar er twee ruilen moet er een huilen (=bij het ruilen is de een altijd beter af dan de ander)
  32. iemand in het zeer tasten (=bij iemand de gevoelige plek raken)
  33. iemand de oren van het hoofd eten (=bij iemand erg veel eten)
  34. nood breekt wet (=bij moeilijke omstandigheden is er meer geoorloofd)
  35. op je laatste benen lopen (=bijna niet meer kunnen van vermoeidheid)
  36. op je zenuwen leven (=bijna overspannen geraken)
  37. als Hollands welvaren (=blakend van gezondheid)
  38. wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=blijf altijd aandachtig en geconcentreerd)
  39. blijf uit zijn kielwater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je wordt er slechter van)
  40. vasthouden aan een strootje (=blijven hopen op een kleine kans.)
  41. je kop erbij houden (=blijven opletten, aandacht vasthouden)
  42. op de been blijven (=blijven staan; niet ziek worden; niet verslagen worden)
  43. zo rood worden als een kalkoense haan (=bloedrood worden (van schaamte))
  44. de manchetten aandoen (=boeien aandoen)
  45. de paternosters aandoen (=boeien aandoen)
  46. de aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  47. met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=boos naar iemand toe gaan of boos bij iemand binnen komen)
  48. je eer verpanden (=borg staan op zijn erewoord)
  49. groot bal op kleine aardappelen (=boven zijn stand leven)
  50. zin noch wit hebben (=buiten jezelf zijn van woede)

50 dialectgezegden bevatten `an`

  1. De geldzak en bedelzak hangen gien dree geslachten an de deure (=Voorspoed en tegenslag duurt vaak niet langer dan drie geslachten) (Giethoorns)
  2. de haand an 'e ploeg sloag'n (=aan het werk gaan) (Westerkwartiers)
  3. de harp an 'e wilg'n hang'n (=een zaak opgeven) (Westerkwartiers)
  4. de hetten an en (=aangeschoten zijn) (West-vlaams)
  5. de hinne warre an 't plorke (=de kippen waren aan het scharrelen) (Zolders)
  6. de iene boer vroagt an den nare boer, wei giet het be oer pjerd me pjerd da giet nie da lupt, en wei lupt oer pjerd oh het giet (=de ene boer vraagt aan de andere boer hoe gaat met Uw paard de boer antwoord mijn paard gaat niet, dat loopt, en hoe loopt Uw paard oh het gaat) (Heusdens)
  7. De kaffie es an 't lwupp'n (=De koffie is bijna klaar) (Harelbeeks)
  8. de kenintsjies zitt'n an d'n draed (=ze is diep gedecolleteerd) (Waregems)
  9. de knappe boks hoal ie d'r nich bie an (=Smerig worden) (Twents)
  10. de konijnn zidn mee ulderen neuze an den droad (=het is koud) (Kaprijks)
  11. de oor'n luk kort an 'n kop hebb'n zitt'n (=lichtgeraakt zijn) (Twents)
  12. De ore köt an de kop hemme (=snel op zijn tenen getrapt zijn) (Barghs)
  13. de póppe án 't dânse (=de vlam in de pan) (Horster)
  14. de vaaz'n an de broek em (=een rafelige broek aan hebben) (Staphorsts)
  15. de zoak an de kapstok hang'n (=een probleem voor zich uitschuiven) (Westerkwartiers)
  16. de zôg is an 't bagge (=de zeug is aan het biggen) (Boakels)
  17. Den hef droosjes an t gat (=Die heeft kapsones / hoog in de bol) (Twents)
  18. Den hef ne stek lös. Doar is ne stek an lös (=Die is niet helemaal goed wijs) (Twents)
  19. der an (=Er aan) (Twents)
  20. der bluuft veel an de braomn angn (=het is niet allemaal zuivere winst) (Kortemarks)
  21. der iene an rekkn (=slaan) (Vechtdals)
  22. der is nog veel snaps an (=er is nog veel werk aan) (Kortemarks)
  23. der is veel snaps an (=er is veel werk aan) (Kortemarks)
  24. der kaauw an hebben (=er moeite mee hebben) (Drents)
  25. Der ui gat an voagen. (=Uw best niet doen. Er geen aandacht aan besteden.) (Avelgems)
  26. Der zin kostn an (=het is een raar persoon) (Kortrijks)
  27. der zyn nohol wel poat'n en oar'n an (=volslank / kloek gebouwd zijn.) (West-Vlaams)
  28. di zun ze poes an kriehen (=bijdehand kind) (Zeeuws)
  29. die beid'nt hadd'n met 'n anner an 'e stok (=die twee hadden ruzie) (Westerkwartiers)
  30. Die ef pik an d'akken (=Een traag iemand) (Giethoorns)
  31. die frou het de boks an (inne huus) (=die vrouw is de baas in huis) (Leewarders)
  32. die hadd'n met 'n anner an de stok (=die hadden ruzie met elkaar) (Westerkwartiers)
  33. Die hef altied zien zundagse jas an (=Hij doet niet veel.) (Drents)
  34. die het vremde knoop'n an 't jak (=die heeft vreemde manieren) (Westerkwartiers)
  35. Die krokusse lawe legge hoeffie niks an te doen. (=Die krokussen laten we leggen hoeft hij niks aan te doen.) (Bollenstreeks)
  36. Die lop gien aeze an (=Moeilijk kunnen lopen) (Giethoorns)
  37. die mozz'n ze ophang'n an 'e hoogste boom (=hij is niet waard nog langer te leven) (Westerkwartiers)
  38. die proat an één boksem an deur (=die praat door zonder ophouden) (Westerkwartiers)
  39. dienk an juh nót (=denk aan je hoofd) (Zeeuws)
  40. diff'ndeerd oi, leg t'r oi leen an (=ga er voor) (Waregems)
  41. din stiet an de skuppe (=hij is grondwerker) (Vechtdals)
  42. djuëf an ieën kant (=selectief horen) (Kaprijks)
  43. doar hê'k niks an (=daar heb ik niks aan) (Veessers)
  44. Doar is der ene van em an 't blad häärken (=Hij is niet helemaal goed bij zijn verstand) (Epers)
  45. doar is mien taande an verslingerd (=daar is mijn tante aan verknocht) (Westerkwartiers)
  46. doar ken je ' n puntje an zuug' n (=hij doet het helemaal geweldig) (Westerkwartiers)
  47. doar mekeert 't nich an (=daar is niks mis mee) (Twents)
  48. Doar vien ik niks an (=Daar vind ik niets aan) (Hoogeveens)
  49. doar zit gien vrouwluuvleis an (=een verstokte vrijgezel) (Staphorsts)
  50. Doe bis an 't blienke (=Let op. Men kan je onderbroek zien) (Mechels (NL))




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen