Spreekwoorden met `ka`

Zoek


316 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ka`

  1. goed bloed kan niet liegen (=een edele afkomst wordt altijd opgemerkt)
  2. grote pronker, kale jonker. (=je voordoen als een rijk man terwijl je arm bent)
  3. haring in het land, dokter aan de kant (=haring eten is zeer gezond; haring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
  4. hem van jetje/katoen geven (=er vaart achter zetten)
  5. het bloed kruipt waar het niet gaan kan (=de aard verloochent zich nooit)
  6. het eerste gewin is kattengespin (=wie het eerste spelletje wint, verliest soms alle volgende spelletjes)
  7. het ene ongeluk kan niet op het andere wachten. (=ongeluk komt zelden alleen)
  8. het gemeste kalf slachten (=een groot feest opzetten / het beste en lekkerste eten op tafel zetten)
  9. het glaasje op zijn kant zetten (=het glas uitdrinken)
  10. het gouden kalf aanbidden (=zeer veel hechten aan rijkdom.)
  11. het is een dubbeltje op zijn kant (=het is nipt, erg onzeker)
  12. het is een wijze man, die maat ramen kan. (=wijsheid komt van het vermogen om situaties te begrijpen en hoe daar op te reageren)
  13. het is er als dood katoen. (=het is er doodsaai)
  14. het is gedaan met kaatje (=het is afgelopen)
  15. het is kwaad kammen daar geen haar is. (=bij arme mensen valt niets te halen)
  16. het is maar hoe de kaarten vallen (=het hangt van het lot af)
  17. het kaf van het koren scheiden (=het waardevolle van het waardeloze scheiden)
  18. het kainsmerk aan zijn voorhoofd dragen (=het is op zijn gezicht te lezen dat hij een schurk is)
  19. het kan er mee door (=het gaat wel, het is aanvaardbaar)
  20. het kan er niet af (=er is niet genoeg geld voor)
  21. het kan niet altijd kaviaar zijn (=niet elke dag is een topdag)
  22. het kan verkeren (=het kan veranderen, de dingen blijven niet zoals ze zijn)
  23. het kan vriezen en het kan dooien (=het kan alle kanten uit gaan)
  24. het kastje bij het muurtje laten blijven (=de dingen niet gaan overdrijven)
  25. het katje van de baan (=degene die baas speelt)
  26. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
  27. het muist al wat van katten komt (=ieder volgt zijn karakter)
  28. het onderste uit de kan willen (=het uiterste willen)
  29. het vaatje op zijn kant zetten (=het vat leegmaken (uitdrinken))
  30. het zijn niet allen monniken die kappen dragen (=schijn bedriegt, je kunt je in mensen vergissen)
  31. hij geeft niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=overal voordeel uit halen, ongeacht gevolgen voor anderen)
  32. hoe een dubbeltje rollen kan (=hoe iets een onverwacht verloop kan kennen)
  33. hoe kaler, hoe royaler. (=mensen met minder geld zijn guller dan mensen met veel geld)
  34. hoe komt het kalf bij zijn maat (=hoe wonderlijk men elkaar kan ontmoeten)
  35. hoger willen vliegen dan men kan (=meer willen doen dan men kan)
  36. iedere heilige komt zijn kaarsje toe (=iedere medewerker moet delen in de eer)
  37. iemand die behoorlijk kan uitpakken (=iemand die ongeremd zijn toorn kan uiten)
  38. iemand het vierkante gat wijzen (=iemand de deur wijzen, wegsturen)
  39. iemand in de kaart spelen (=iemand onbewust helpen)
  40. iemand op de kast jagen (=iemand zijn goede humeur doen verliezen door plagen)
  41. iemand van het kastje naar de muur sturen (=iemand voor niets heen en weer laten lopen)
  42. iemand van kant maken (=iemand doden)
  43. iemand van katoen geven (=iemand met een pak slaag of woorden straffen)
  44. iets aan de kaak stellen (=bekend maken wat niet in orde is)
  45. iets over z`n kant laten gaan (=zich nergens iets van aantrekken)
  46. iets voor de kat zijn viool doen (=iets voor niets doen)
  47. in de ijskast zetten (=(tijdelijk) niet uitvoeren)
  48. in het donker zijn alle katten grijs/grauw (=als de situatie niet duidelijk is, zijn de zaken niet goed te beoordelen)
  49. in kannen en kruiken zijn (=alles is geregeld)
  50. instorten als een kaartenhuisje (=plots en snel in elkaar zakken, tenietgedaan worden)

328 betekenissen bevatten `ka`

  1. het muist al wat van katten komt (=ieder volgt zijn karakter)
  2. zoveel hoofden, zoveel zinnen (=iedereen heeft een eigen mening waarbij men moeilijk samen tot een oplossing kan komen)
  3. daar is geen woord Frans/Latijn/Chinees bij (=iedereen kan dat begrijpen)
  4. iemand het gras voor de voeten wegmaaien (=iemand alle kansen ontnemen)
  5. iemand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
  6. aan het verkeerde kantoor zijn (=iemand die je niet kan helpen)
  7. als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen (=iemand die meer wil dan hij kan, maakt zich snel belachelijk)
  8. een kale kip kan nog leggen (=iemand die niets heeft, kan nog voor je werken)
  9. als bliksemafleider fungeren (=iemand die of iets dat de boze bui van iemand kan afleiden)
  10. iemand die behoorlijk kan uitpakken (=iemand die ongeremd zijn toorn kan uiten)
  11. wijd van huis is altijd rijk. (=iemand die van ver komt, kan makkelijk liegen.)
  12. wie het breed heeft laat het breed hangen (=iemand die veel geld heeft kan veel geld uitgeven)
  13. een gewaarschuwd mens telt voor twee (=iemand die vooraf weet wat er fout kan gaan moet zich er maar op voorbereiden)
  14. een brutaal mens heeft de halve wereld (=iemand die wat durft te zeggen krijgt het meestal wel voor elkaar)
  15. als een vis op het droge (=iemand die zijn draai niet kan vinden of daar niet thuis hoort)
  16. ik maak een platvis van je (=iemand dreigen in elkaar te slaan)
  17. in zijn zak hebben (=iemand goed kennen, iets helemaal begrijpen, iets voor elkaar hebben)
  18. iemand iets aan de neus hangen (=iemand iets vertellen wat die beter niet kan weten)
  19. iemand met de neus op de feiten drukken (=iemand iets zó onder de aandacht brengen, dat hij het niet langer kan negeren)
  20. iemand een koud bad geven (=iemand kalmeren , illusies ontnemen)
  21. iemand op de proef stellen (=iemand testen om te zien of die te vertrouwen is of het aan kan)
  22. iemand uit de droom helpen (=iemand vertellen hoe het écht in elkaar zit)
  23. iemand in de tang nemen (=iemand zo vasthouden dat hij of zij niet kan ontsnappen. / Iemand in zijn macht hebben)
  24. bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
  25. er je eigen plasje overheen doen (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit de hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een document willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  26. goedkoop is duurkoop (=iets goedkoops kan later kosten veroorzaken, bijvoorbeeld door slechte werking, reparaties of onderhoud)
  27. tot moes slaan (=iets helemaal kapot slaan)
  28. baat het niet, schaadt het niet (=iets kan helpen, maar als het niet helpt zal het geen problemen geven)
  29. iets een vernisje geven (=iets opkalefateren)
  30. elke medaille heeft een keerzijde (=iets van twee kanten bekijken, aan iedere zaak zitten twee kanten, vaak een positieve en minder positieve kant)
  31. onbekend maakt onbemind (=iets wat nog onbekend is, kan ook niet geapprecieerd worden)
  32. het zwaard van Damocles (=iets wat snel of ieder moment kan gebeuren)
  33. doe wel naar mijn woorden, maar ziet niet naar mijn daden (=ik geef raad waar je je het beste aan kan houden, maar ik doe het zelf niet)
  34. mijn hoofd staat er niet naar (=ik kan me er niet op concentreren)
  35. dat zal mijn klomp niet roesten (=ik maak me er niet druk om; het kan mij niet schelen)
  36. de ogen zijn de spiegels der ziel (=in de ogen van een persoon herkent men het karakter)
  37. tussen de vier muren (=in een kamer opgesloten)
  38. aprilletje zoet, heeft nog wel eens een witte hoed (=in het begin (de hoed) van april kan het nog wel eens sneeuwen)
  39. een man zonder vrouw is als een paard zonder teugels. (=in het huwelijk hebben man en vrouw elkaar nodig)
  40. maart roert zijn staart (=in maart kan het nog stormachtig weer zijn)
  41. maart heeft een krul in zijn staart. (=in maart kan het wisselvallig zijn)
  42. je maag wel aan de kapstok kunnen hangen. (=in moeilijke financiële omstandigheden verkeren waardoor men weinig eten kan kopen.)
  43. in troebel water is het goed vissen (=in tijden van onlust of oorlog kan men gemakkelijk voordelen halen)
  44. een kat komt altijd op z`n pootjes terecht (=ingewikkelde en vervelende dingen kunnen vanzelf weer voor elkaar komen)
  45. geen schoner gewaad als een zedig gelaat. (=je kan aan iemands` gezicht zien of hij een goed karakter heeft)
  46. het gelaat is de spiegel der ziel. (=je kan aan iemands` gezicht zien of hij een goed karakter heeft)
  47. je bent nooit te oud om te leren (=je kan altijd nog bijleren)
  48. beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald (=je kan beter iets voortijdig stoppen dan doorgaan tot het helemaal verkeerd gaat)
  49. vreemde zorgen doden de ezel. (=je kan dingen het beste zelf doen)
  50. wie veel eist krijgt veel. Wie te veel eist krijgt niets (=je kan door het te vragen veel bij mensen gedaan krijgen, maar als je onredelijk wordt zal je worden overgeslagen)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen