Spreekwoorden met `alle`

Zoek


163 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `alle`

  1. waar gehakt wordt, vallen spaanders (=waar werk verricht wordt, worden ook wel wat fouten gemaakt)
  2. we kunnen niet allen paus van Rome zijn (=niet iedereen kan de baas zijn)
  3. weet wat je zegt, maar zeg niet alles wat je weet (=wees voorzichtig met woorden en je informatie)
  4. wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  5. wie staat ziet toe dat hij niet valle (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
  6. wie zijn pap gemorst heeft kan niet alles weer oprapen (=schade kan nooit geheel worden goedgemaakt)
  7. ze alle vijf bij elkaar hebben (=goed bij zijn verstand zijn)
  8. ze niet alle vijf hebben (=vreemd gedragen of niet goed bij het verstand zijn)
  9. ze niet allemaal (alle vijf) op een rijtje hebben (=niet bij zijn volle verstand zijn. (alle vijf = de zintuigen))
  10. zelfkennis is het begin van alle wijsheid (=men moet eerst zichzelf kennen om verdere kennis te kunnen verwerven)
  11. zelfs de beste breister laat wel eens een steekje vallen (=ook al kan iemand iets heel goed, hij of zij zal ook wel eens een fout maken; dat is vergeeflijk)
  12. zo stil dat je een speld kunt horen vallen (=bijzonder stil)
  13. zwijgen in alle talen (=helemaal niets zeggen, niets van zich laten horen)

230 betekenissen bevatten `alle`

  1. de vinger aan de pols houden (=in de gaten houden of alles goed gaat)
  2. door dik en dun (=in goede en slechte tijden / alles overhebben voor iemand)
  3. een snoek vangen. (=in het water vallen)
  4. je met hand en tand verzetten (=je  heftig verzetten en er alles aan doen om het niet te laten doorgaan)
  5. je iets laten aanleunen (=je iets laten welgevallen)
  6. een vogel zingt zowel van armoe als van weelde. (=je kan positief zijn onder alle omstandigheden)
  7. je bedje is gespreid (=je komt in een situatie terecht waarin alles al voor je geregeld is)
  8. het zijn niet al ridders die sporen dragen (=je kunt niet alleen aan iemands uiterlijk afleiden of hij ergens geschikt voor is)
  9. allemans neus is geen kapstok. (=je moet niet alles aan iedereen vertellen.)
  10. waar geen vis is, is haring ook vis (=je moet voor alles moeite doen)
  11. gepakt en gezakt (=klaar voor vertrek (met alle koffers ingepakt))
  12. uit zijn slof schieten (=kwaad uitvallen, boos worden)
  13. er blijft veel aan maat en strijkstok hangen (=lang niet alles komt op zijn plaats terecht)
  14. niet bij brood alleen leven (=men heeft meer nodig dan alleen eten om te kunnen leven)
  15. neem je hoed niet af voordat je gegroet wordt (=men moet een ander nooit in de rede vallen)
  16. wie staat ziet toe dat hij niet valle (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
  17. vogels van diverse pluimage (=mensen met allerlei diverse achtergronden)
  18. alle hens aan dek (=met alle beschikbare mensen of alle middelen)
  19. alle kusten bezoeken (=met allerlei slecht volk omgaan)
  20. met man en muis (=met alles en iedereen)
  21. met bed en bult (=met alles wat men bijeen kan pakken op reis gaan)
  22. voor geld kun je de duivel doen dansen (=met geld kun je alles gedaan krijgen)
  23. praatjes vullen geen gaatjes (=met praten alleen komt men er niet, er moet ook wat gedaan worden)
  24. met een goed geloof en een kurken ziel drijft men de zee over (=met vertrouwen en optimisme kan men alles aan)
  25. niet van de wind kunnen leven (=moeten werken om alles te kunnen betalen)
  26. geen water te diep zijn (=nergens bang voor zijn, alles durven)
  27. alle vis is geen bakvis (=niet alles is even dienstig (of handelbaar of lekker))
  28. alle havens schutten geen wind (=niet alles levert een voordeel op)
  29. ik ben Sinterklaas niet (=niet alles voor niks doen)
  30. de krant brengt de leugens in het land. (=niet alles wat de media schrijft klopt.)
  31. ze niet allemaal (alle vijf) op een rijtje hebben (=niet bij zijn volle verstand zijn. (alle vijf = de zintuigen))
  32. een slag om de arm houden (=niet direct alles vertellen of voorzichtig zijn om toekomstige problemen voor te zijn)
  33. elk schot is geen eendvogel (=niet iedere poging of alles wat je doet is succesvol)
  34. alle hout is geen timmerhout (=niet iedereen beschikt over dezelfde kwaliteiten / niet alles is van voldoende kwaliteit)
  35. in iemands schaduw staan (=niet opvallen omdat iemand anders meer opvalt)
  36. met twee maten meten (=niet voor alles of iedereen even streng zijn)
  37. geen wolkje aan de lucht (=niets aan de hand - alles is prima in orde)
  38. iemand op sleeptouw nemen (=omdat iemand het alleen niet lukt diegene helpen, iemand steeds maar dingen beloven zonder die na te komen, iemand gebruiken voor eigen belang zonder dat die het doorheeft)
  39. het ene ongeluk kan niet op het andere wachten. (=ongeluk komt zelden alleen)
  40. het ene ongeluk roept het ander. (=ongeluk komt zelden alleen)
  41. om de haverklap (=op alle mogelijke momenten, steeds weer opnieuw)
  42. op alle slakken zout leggen (=op alle onbelangrijke dingen commentaar hebben)
  43. een liedje van verlangen zingen (=op allerlei manieren een wens uitspreken)
  44. tussen de klippen doorzeilen (=op handige manier alle moeilijkheden vermijden)
  45. iemand naar de keel vliegen (=op iemand erg kwaad worden, aanvallen, ermee vechten)
  46. de grote klok luiden (=op opvallende wijze bekend maken)
  47. de blits maken (=opvallen)
  48. in de kijker lopen (=opvallen)
  49. in het oog lopen (=opvallen)
  50. voor zijn roodkoperen zijn (=oud Haags voor: alles is piekfijn in orde)

50 dialectgezegden bevatten `alle`

  1. èn alle gekkighèts (=alle gekheid op een stokje) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. èn het doenkel zin alle katte zwat! (=als ze de kans krijgen zijn alle vrouwen vals!) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. ènt doenkel zin alle kaoters zwat (=alle mannen zijn hetzelfde (als hun vrouw er niet bij is)) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. ermoej ès te moeder van alle geleirde (=door armoede wordt men vindingrijk) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. ès alles gedroenke wot betaold ès (=is nu alle verteer betaald) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. ët glaos voel èn alle géddëre auteen (=het glas viel in duizend stukken kapot) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. gank toch doër (=allé gij !) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. gank voert (aon) (=alle gij !) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. Ge meug et allemoaul noaur 't oeksken droaugen (=Je moet alle winst aan de belastingontvanger afgeven) (Lokers)
  10. ge mot mee alle knuppels gooie (=je moet geen kans voorbij laten gaan) (Oudenbosch)
  11. Ge zit ziek in jon (ne) kop! (=U hebt ze niet alle vijf meer.) (Lauws)
  12. gekke en dwaoze schrijve d r naome op deure en glaoze (=zottenhanden beschrijven alle wanden) (Oudenbosch)
  13. geld dut alle deur'n oop'm (=met geld kun je alles bereiken) (Westerkwartiers)
  14. geld is de sleudel die op alle slött'n paast (=iedereen wil graag iemand ontmoeten die geld bezit) (Westerkwartiers)
  15. gelieke monnik'n, gelieke kapp'm (=alle mensen hebben dezelfde rechten) (Westerkwartiers)
  16. God en alle luuj beduuvele. (=Iedereen bedriegen, misleiden) (Roermonds)
  17. Haa hei ze ni alle vaaf / Haa is een vaas kwaat (=Hij heeft ze niet alle vijf) (Sint-Katelijne-Waver)
  18. haat ze leed onder ze kleed (=lijd in alle stilte) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. hae ès noë Rome gewès mér hètte Paus nie gezien (=alle moeite voor niets!!!) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. Hae hieët d' r e strieëpke doeër (=Niet alle zeven op een rijtje) (Weerts)
  21. hae hoch ze nie alle vaajf (=de duivenmelker zag ze vliegen) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. hai zit alle doage oep mn dak (=hij is vaak bij ons) (Arendonks)
  23. Hèè ès mèt zijn kont èn de boeëter gevalle. (=Hij heeft alle geluk.) (Genker)
  24. hee hef ze nit alle veerntwentug in 't kratje (=hij is niet goed wijs) (Rijssens)
  25. Hègkelègkers zeen van alle tieje (=Een moetje is van alle tijden) (Hunsels)
  26. Hi-j het nie alle panne op ‘t dak (=Hij is niet goed bij zijn hoofd, hij is een beetje gek) (Achterhoeks)
  27. hij bezweert ons bij hoog en bij leeg (=hij verzekert ons van alle kanten) (Westerkwartiers)
  28. hij draait als een keutel in een pispot (=hij draait alle kanten uit) (Graauws)
  29. hij draait met alle wiend'n (=hij is wispelturig) (Westerkwartiers)
  30. hij hee ze ni alle vaaef (=Hij is een beetje gek) (Beerses)
  31. hij hee ze nie alle vijve (=hij is een beetje gek) (Aspers)
  32. hij heeft ze nie alle vijve of hij is maboel (=Iemand die niet bij zijn hoofd is) (Zottegems)
  33. hij is echt 't pispoaltje (=hij moet alle aanmerkingen altijd aanhoren) (Westerkwartiers)
  34. hij is hen en weer as de wiend (=hij waait met alle winden mee) (Westerkwartiers)
  35. hij is van alle maarkt'n thuus (=hij weet van heel veel zaken iets af) (Westerkwartiers)
  36. hij is van alle maarkt'n tuus (=hij weet overal wel iets vanaf) (Westerkwartiers)
  37. hij kent alle toal'n, behaalve betoal'n (=over een slechte betaler :) (Westerkwartiers)
  38. hij snapt alle zeuven boten inne week en nog gien vreten op tafel (=veel werk in de haven (7 dagen) en nog niets te eten) (Harlingers)
  39. hij was ien alle stoat' n (=hij was door het dolle heen) (Westerkwartiers)
  40. hij wrong zich ien alle bocht'n (=hij probeerde slinks zich eruit te praten) (Westerkwartiers)
  41. Ich en bekans alle veugel zitte dèk in nèste. (=Ik en haast alle vogels zitten vaak in nesten.) (Kinroois)
  42. ich kin alle taole, behaave Betaole (=ik ken alle talen, behalve betalen) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. ich zit haaj te vringe vër mën tëleir liëg te krijge (=ik doe alle moeite om mijn bord leeg te eten) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. ich, dich en doe make alle minse sjoe (=soort van opvulzin) (Heitsers)
  45. ich, dich en duuw, make alle minsen sjuuw (=ik, jij en gij maken alle mensen bang) (Opglabbeeks)
  46. ie ei se nie alle zesse (=niet helemaal goed) (Zeeuws)
  47. iemed autmaoke vër alwot lëlëkès (=iemand overladen met alle zonden ter wereld) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. iemes de pap én de mond gaeve (=iemand alle kansen geven) (Munsterbilzen - Minsters)
  49. ien lommel zegge ze tegen alle vogels mus, behalve een mus dé is ne sjeirepper (=In lommel zeggen ze tegen alle vogels mus, behalve tegen een mus dat is een sjierepper) (Lommels)
  50. ij ee ne slag van de meulen (=hij heeft ze niet alle vijf op een rij) (Gents)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen