Spreekwoorden met `sta`

Zoek


191 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `sta`

  1. liggende maan, staande matrozen. (=als de maan op zijn kant staat komt er storm op zee)
  2. lijnrecht tegenover iets staan (=volledig het omgekeerde zijn of denken)
  3. maart heeft een krul in zijn staart. (=in maart kan het wisselvallig zijn)
  4. maart heeft knepen in zijn staart (=weerspreuk)
  5. maart roert zijn staart (=in maart kan het nog stormachtig weer zijn)
  6. met beide benen op de grond staan (=een realist zijn)
  7. met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
  8. met de rug tegen de muur staan (=geen kant op kunnen, hooguit een laatste uitweg)
  9. met de vossenstaart geselen (=zacht straffen)
  10. met een been in het graf staan (=bijna dood, ernstig ziek)
  11. met een rode letter aangetekend staan (=duidelijk vermeld , zodanig dat het zeker niet vergeten wordt)
  12. met een staand zeil (=driftig, boos)
  13. met één voet in het graf staan (=iemand gaat bijna dood)
  14. met een zwarte kool aangetekend staan (=ongunstig bekend staan)
  15. met het verkeerde been uit bed stappen (=een slecht humeur hebben)
  16. met het verstand van een garnaal (=erg weinig verstand, erg dom)
  17. met vallen en opstaan (leren) (=door mislukkingen leren)
  18. mijn hoofd staat er niet naar (=ik kan me er niet op concentreren)
  19. mijn verstand staat er bij stil (=dat begrijp ik helemaal niet)
  20. niet erg vast in de schoenen staan (=zich gemakkelijk laten ompraten)
  21. niet graag in iemand schoenen staan (=niet graag willen ervaren hoe het is iemand anders te zijn die in een moeilijke of onprettige situatie zich bevindt)
  22. niet in iemands schaduw kunnen staan (=aan iemand absoluut niet kunnen tippen)
  23. nog niet op eigen benen kunnen staan (=nog niet zichzelf volledig zelfstandig kunnen redden)
  24. nog te bezien staan (=nog af te wachten zijn)
  25. omstaan leren (=leren schikken naar de wensen en bevelen van een ander)
  26. onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw genoeg voor de kost)
  27. ongesuikerd zeggen waar het op staat (=onverbloemd de waarheid zeggen)
  28. op de achterste benen/poten staan (=zeer verontwaardigd of boos zijn.)
  29. op de keien staan (=werkloos zijn)
  30. op de voorgrond staan (=onder de aandacht staan)
  31. op een volle buik staat een vrolijk hoofd. (=een volle buik brengt een blij en tevreden humeur.)
  32. op eigen benen staan (=voor jezelf zorgen; geen hulp nodig hebben)
  33. op goede voet staan met iemand (=goed kunnen opschieten)
  34. op iemands schouders staan (=op andermans werk voortbouwen)
  35. op je strepen staan (=vasthouden aan je principes en rechten.)
  36. op je stuk staan (=zich niet laten ompraten en bij de eigen mening blijven)
  37. op kop staan (=aan de leiding staan)
  38. op poten staan (=in een brief nergens omheen praten)
  39. op staande voet (=met onmiddellijke ingang)
  40. op straat staan/zitten (=ontslagen zijn - geen onderdak meer hebben)
  41. opgestaan is plaats vergaan (=als je even wegloopt kan iemand anders op je stoel gaan zitten)
  42. overstag gaan (=na aandringen/lang er mee wachten toegeven)
  43. overstag raken (=de wind van voren krijgen)
  44. pal staan (=onbeweeglijk stilstaan / niet twijfelen aan de eigen mening)
  45. recht in zijn schoenen lopen/staan (=eerlijk zijn, niets misdaan hebben)
  46. staan kijken als lamme/verdomde Louis (=verlegen of beteuterd staan kijken)
  47. staan te slapen (=niet opletten)
  48. stad en land aflopen. (=geen moeite sparen om iets te bereiken)
  49. stank voor dank (=ondankbaarheid ervaren voor geboden diensten.)
  50. stevig in je schoenen staan (=erg zeker zijn)

247 betekenissen bevatten `sta`

  1. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
  2. de duivel schijt altijd op de grootste hoop (=het ongeluk treft meestal degenen die al in moeilijkheden verkeren.)
  3. iets zwart op wit hebben (=het op papier hebben staan)
  4. je verstand gebruiken (=het verstandig aanpakken)
  5. het is onbestaanbaar. (=het zou niet mogen bestaan, het is een schande)
  6. er mankeert iets in zijn bovenkamer (=hij is niet goed bij zijn verstand)
  7. de broodkruimels steken hem (=hij kan de welstand niet dragen)
  8. zo lang er leven is, is er hoop (=hoe slecht het ook staat, zolang nog niet alles verloren is, kan alles nog goed komen)
  9. met de linkerhand trouwen (=huwen met een vrouw van lagere adelstand)
  10. elk meent zijn uil een valk te zijn (=ieder denkt het beste over de eigen prestaties)
  11. iemand uit bed lichten (=iemand `s nachts laten opstaan)
  12. iemand met open ogen bedriegen (=iemand bedriegen terwijl hij erbij staat)
  13. het zwarte schaap van de familie (=iemand die een beetje buiten de familie staat qua gedrag)
  14. in een slechte reuk staan (=iemand die niet goed bekend staat)
  15. een brutaal mens heeft de halve wereld (=iemand die wat durft te zeggen krijgt het meestal wel voor elkaar)
  16. iemand een bokking geven (=iemand een standje geven)
  17. een hoge Piet (=iemand van hogere rang of stand)
  18. een lange arm hebben (=iemand zelfs vanaf een grote afstand nog dwars kunnen zitten)
  19. gouden appels op zilveren schalen (=iets is erg prachtig/goed/verstandig (verwoord))
  20. naar de mutsaard rieken (=iets klopt zeer niet (mutsaard = brandstapel) / verdacht worden van ketterij)
  21. iets bij de roes kopen (=iets kopen in de staat zoals het is)
  22. iets niet op je laten zitten (=iets niet aanvaarden zonder tegenstand)
  23. iets door de vingers zien (=iets oogluikend toestaan)
  24. iets bij de roes verkopen (=iets verkopen in de staat zoals het is)
  25. er als een berg tegen opzien (=iets voor zichzelf beschouwen als een zeer moeilijke, of onplezierige, taak of omstandigheid)
  26. op eigen houtje doen (=iets zelfstandig (eventueel op eigen initiatief) ondernemen)
  27. ik ben geen uithangbord (=ik heb meer te doen, ik blijf niet wachten/zo staan)
  28. in de laagte zijn (=in armoedige toestand verkeren)
  29. met molentjes lopen (=in de war zijn, niet goed bij het verstand zijn)
  30. iemands licht betimmeren (=in de weg staan - het licht benemen)
  31. als een nachtkaars uitgaan (=in een gestaag tempo minder worden en eindigen)
  32. je maag wel aan de kapstok kunnen hangen. (=in moeilijke financiële omstandigheden verkeren waardoor men weinig eten kan kopen.)
  33. te hoop lopen (=in opstand komen)
  34. onder de vijgenboom rusten (=in rust en welstand leven)
  35. helse steen (=in staafjes gegoten zilvernitraat)
  36. je tussen hangen en wurgen bevinden (=je in gevaarlijke en moeilijke omstandigheden bevinden)
  37. een vogel zingt zowel van armoe als van weelde. (=je kan positief zijn onder alle omstandigheden)
  38. wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje (=je kunt nooit boven de stand komen waarin je geboren bent. Arm geboren, zal wel arm blijven)
  39. je mening niet onder stoelen of banken steken (=je mening niet verbergen, openlijk voor je standpunten uit durven komen, bij voorbeeld van afkeuring van iets)
  40. je moet geen goed geld achter slecht geld aangooien (=je moet geen geld besteden aan een zaak die niet meer in stand kan worden gehouden)
  41. een schop van een ezel kunnen verdragen (=je moet het aankunnen dat iemand zonder verstand van zaken kritiek geeft)
  42. een plaat voor je hoofd hebben (=kortzichtig zijn, niet open staan voor de omgeving)
  43. je verdiende loon krijgen (=krijgen wat hem toekomt (meestal iets slecht))
  44. te kennen geven (=laten verstaan)
  45. ten voeten uit (=letterlijk: de volledige gestalte is afgebeeld; figuurlijk: een getrouwe persoonsbeschrijving)
  46. beter kleine meester dan grote knecht (=liever een bescheiden zelfstandige dan een grote knecht bij een baas)
  47. de huik naar de wind hangen (=meeheulen - altijd andermans standpunt volgen)
  48. je in de kaart laten kijken (=meestal onopzettelijk een ander inzicht geven in je bedoelingen)
  49. als het tij verloopt verzet men de bakens (=men moet zich aan de omstandigheden aanpassen)
  50. waar het paard aangebonden is moet het vreten (=men moet zich naar de omstandigheden schikken)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen