890 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `op`
- de eigen boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
- de eindjes (niet) aan elkaar knopen (=(niet) rond komen (met z`n inkomen))
- de engeltjes schudden hun bed op / kussens uit (=het sneeuwt)
- de gal loopt over (=boos worden)
- de hand op de knip houden (=zuinig zijn)
- de hand op iets leggen (=ergens aan kunnen komen)
- de handschoen opnemen (=het gevecht aangaan)
- de haring over de kop varen (=het doel voorbijschieten)
- de hort op zijn (=op pad zijn)
- de huid van de beer niet verkopen voor hij geschoten is (=je moet niet al willen genieten van wat men nog niet verworven heeft)
- de juiste man op de juiste plaats zijn (=zeer geschikt zijn voor het werk)
- de kam opzetten (=zich verweren, zich tonen)
- de kantjes er van aflopen (=zijn best niet doen)
- de kap op de tuin werpen (=zijn priester- of kloostergelofte verbreken)
- de kat op het spek binden (=iemand volop de gelegenheid geven zich te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslist niet mag hebben)
- de klop is er op (=ze is 28 jaar)
- de knoop doorhakken (=een beslissing forceren. (Afgeleid van het verhaal van de Gordiaanse knoop))
- de koe trekt de melk op. (=je krijgt niet wat je verwachtte)
- de koek is op (=het maximaal haalbare is bereikt, meer zit er niet in)
- de koorts/stuipen op het lijf jagen (=doen schrikken)
- de kop in het zand steken (=doen alsof er geen gevaar dreigt en er niets aan doen)
- de kop is eraf (=er is een begin gemaakt)
- de kop van jut (=het slachtoffer, het zwarte schaap)
- de koperen ploert (=de zon)
- de koppen bij elkaar steken (=overleggen)
- de kroon op het werk zetten (=het werk prachtig voltooien)
- de kuif opsteken (=kwaad worden)
- de kurk waarop de zaak drijft (=de basis (steun) van het geheel)
- de lakense bril erbij opzetten (=bijzonder scherp toekijken)
- de mast opkrijgen (=zich weten te redden)
- de meitak op een werk zetten (=het werk afmaken)
- de melk optrekken (=je woord terugnemen, je belofte niet helemaal vervullen)
- de molen is/loopt door de vang (=de zaak of persoon is in de war (gek))
- de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
- de noppen van de kleren houden (=onkosten met zich meebrengen)
- de ogen openen (=doen inzien)
- de pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem mee (=altijd eerst de machtige mensen, dan de mindere mens)
- de peentjes opscheppen (=de boel opruimen)
- de pik op iemand hebben (=iemand voortdurend plagen of aanvallen)
- de poes op de bak zetten. (=urineren)
- de poppen aan het dansen (=de ruzie of problemen kunnen beginnen)
- de pot op kunnen (=in geen geval krijgen)
- de prins op het witte paard (=de man van je dromen)
- de proef op de som nemen. (=iets uitproberen.)
- de puntjes op de i zetten (=de details erbij zetten - orde op zaken stellen)
- de rechte man op de rechte plaats (=de juiste man voor de juiste taak)
- de rijzende/opgaande zon aanbidden (=in de gunst trachten te komen van iemand die succesvol is)
- de schop afkuisen (=stoppen met het werk)
- de schop krijgen (=ontslagen worden)
- de schouders ophalen (=er zich niets van aantrekken - er niets over willen weten)
812 betekenissen bevatten `op`
- vreemde ogen dwingen (=de ogen van een vreemde heeft meer invloed op je dan van een bekende)
- er geen kijk op hebben (=de oplossing niet zien)
- het middel is erger dan de kwaal (=de oplossing veroorzaakt nog meer schade)
- weten hoe men dat in het vat zal gieten (=de oplossing weten)
- het oog van de wereld (=de publieke opinie)
- het lieve leventje gaande (=de ruzie begonnen - de poppen aan het dansen)
- het krijt ruimen (=de strijd opgeven, weggaan)
- eind goed, al goed (=de tegenslagen zijn gauw vergeten als het goed afloopt)
- het water komt op de dijk. (=de tranen komen op)
- het moeras insturen (=de verkeerde richting op sturen)
- de vrucht der ervaring rijpt niet aan jonge takken (=de verstandigste opmerkingen komen van oudere mensen)
- de lens is uit de wagen (=de zaak is vastgelopen)
- je schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven werken)
- je beslag krijgen (=definitief ten einde lopen , beslist worden)
- als men van de duivel spreekt trapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat moment zien)
- je oren laten hangen (=depressief zijn, het opgeven)
- dat varkentje zullen we even wassen (=deze opdracht zullen we even uitvoeren)
- het klopt als een bus (=deze uitdrukking is een contaminatie van het sluit als een bus met: het klopt als een zwerende vinger)
- uit hetzelfde vaatje tappen (=dezelfde standpunten of opvattingen delen.)
- zijn lesje wel geleerd hebben (=die fout niet opnieuw maken)
- het haasje zijn (=diegene zijn die er voor opdraait, het slachtoffer)
- niet kunnen rijmen (=dingen die niet met elkaar kloppen of het samen niet kunnen begrijpen)
- op til zijn (=dingen zijn op dit moment gaande (met name veranderingen))
- van die boer, geen eieren (=dit is een oplossing die men niet wenst)
- rijd voort maar zie om (=doe verder maar blijf opletten)
- rijd voort voerman maar zie om (=doe verder maar blijf wel opletten)
- onder het oog brengen (=doen opmerken)
- verkikkerd zijn (=dol zijn op iemand/iets of verliefd zijn op iemand)
- je trekken thuis krijgen (=door anderen op dezelfde manier behandeld worden als je hun behandelde (bv met een streek))
- in de fuik lopen (=door eigen stommiteiten in een valstrik lopen)
- door vragen wordt men wijs (=door het stellen van vragen kun je veel te weten komen en veel kennis opdoen)
- tijd slijt (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
- tijd heelt alle wonden (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
- alle hoop de bodem in (laten) slaan (=door iets geen enkele hoop meer (laten) hebben)
- eigen roem/lof stinkt (=door over jezelf op te scheppen maak je een nare indruk)
- alleen een piepend wiel krijgt olie (=door zich opvallend te gedragen bekomt men aandacht)
- de draad oppakken (=doorgaan van de plaats waar je was gestopt)
- iets/iemand in de gaten hebben/krijgen (=doorkrijgen hoe dingen in elkaar steken of zicht houden op de situatie)
- spijkers met koppen slaan (=doortastend optreden)
- korte metten maken (=doortastend optreden)
- jezelf op de borst slaan (=duidelijk aan de omgeving laten weten dat men ergens bijzonder trots op is)
- aan de bel trekken (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt)
- is de paus katholiek? (=een antwoord op een vraag waarvan het antwoord overduidelijk `Ja` is)
- op de lappen (=een beetje opgeknapt - op stap om te drinken)
- de knoop doorhakken (=een beslissing forceren. (Afgeleid van het verhaal van de Gordiaanse knoop))
- paradepaard (=een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is)
- een Frans compliment. (=een compliment wat niet zo oprecht of positief is als het aanvankelijk leek)
- een uil zijn (=een dwaas zijn, een stomkop zijn)
- goed bloed kan niet liegen (=een edele afkomst wordt altijd opgemerkt)
- een straatje zonder eind (=een eindeloos proces, iets wat nooit ophoudt)
50 dialectgezegden bevatten `op`
- 't es ze voeër / vaudr gesketen (=hij lijkt volledig op zijn vader) (Meers)
- 't es zè voier gescheiten en gespagen (=hij trekt als 2 druppels water op zijn vader) (Aalsters)
- 't es zè voir gescheit'n en gespaven (=hij lijkt op zijn vader) (Aalsters)
- 't Es zenne petj gescheten! (=Hij lijkt enorm op zijn vader) (Teralfens)
- 't es'tn gescheten en gespogen (=Hij lijkt er als twee druppels water op) (West-Vlaams)
- 't est er boef op (=het is helemaal raak) (Wichels)
- 't est er kluit op (=het is juist) (Wichels)
- 't Gat in zien / 't schip op zien / anzetten / ze schupp' ofkuschen (=Vertrekken) (Veurns)
- 't geld groeit nie op me rik (=ik verdien ze niet zo gemakkelijk, mijn centjes) (Veurns)
- 't geldj op de struik leggen (=iets niet betalen) (Meers)
- 't gesproken dagblad (=het nieuws op de radio) (Turnhouts)
- 't gesproken dagblad; de gesproken gazet (=nieuws op de radio) (Geels)
- 't gijt zoas 't gijt (=zaken op 'n beloop laten) (Westerkwartiers)
- 't haor op zolder (=haar opsteken) (Nunspeets)
- 't hès van de zulle lwopn (hès=gras; zulle=drempel) (= (te) vaak bij iemand op bezoek gaan) (Izegems)
- 't holletje op (=naar boven gaan) (Rotterdams)
- 't huus is netjes an kaant (=het huis is netjes op orde) (Westerkwartiers)
- 't is 'n drup op 'n gloei'nde ploat (=het helpt heel weinig) (Westerkwartiers)
- 't is 't zulfde goar'n, moar 't zit op 'n aaner klöske (=het is precies hetzelfde, maar toch lijkt het anders) (Westerkwartiers)
- 't is aalmoal een pot nat (='t komt allemaal op hetzelfde neer) (Westerkwartiers)
- 't is àllemòòl gieën oorsnèèn op ene klètskop (S*) (=het is allemaal niet zo makkelijk) (Sintrùins)
- 't Is bai jou nèt weduwnaarspain. (=Jij knapt altijd snel weer op wanneer je eens ziek bent.) (Zaans)
- 't is doa weer herrewerre (=het zit er daar bovenarms op) (Denderleeuws)
- 't is drok op 'e riep (=het is druk op het trottoir) (Westerkwartiers)
- 'T is e blièvege (=Ze eet niet alles op) (Poperings)
- 't is een dubbeltje op zien kaant (=het kan goed gaan, het kan verkeerd aflopen) (Westerkwartiers)
- 't Is èerdaodig volk (=op hen is niets aan te merken) (Drents)
- 't is êm gescheedn in gespooën (=hij lijkt helemaal op hem) (Kaprijks)
- 'T is hêêl gie (=Het gelijkt op u) (Gistels)
- 't is ieënn mee oar op (=het is overjaars) (Kaprijks)
- 'T is leek regenen op in eende (=Geen enkel effect sorteren) (Maldegems)
- 't is mer 'n ertje op e plenkske (=een vrouw met kleine borsten) (Weerts)
- 't is mo de rook die deur de kave got en 't ligt nog e zak op (=gierig huishouden) (Veurns)
- 't is net of 'er op eier lopt (=hij loopt zeer voorzichtig) (Westerkwartiers)
- 't Is niet an 'e gevel te sien, wie't 't huus beweunt (=Je kunt iemand niet op zijn buitenkant beoordelen) (Bildts)
- 't is niet drok op 't heed'n (=het is momenteel niet druk) (Westerkwartiers)
- 't Is nog neet waerd dejje 't 'nen ezel in zien oeëre schödtj (=Het heeft niks op de kous) (Weerts)
- 't is om ou bloët gat te loaten zien (=het is om de muren ervan op te lopen) (Melseels)
- 't is op 't näödje geloupe (=op het kantje) (Weerts)
- 't is over mè regenen en 't kleird al op (=het is gedaan met regenen en het wordt lichter) (Sint-Niklaas)
- 't is presies un eilig zauntsjen (=dit kind lijkt op deze foto zeer braaf te zijn) (Lokers)
- 't is ten gescheten en gekakt (=hij lijkt er helemaal op) (Veurns)
- 't is van den ont (=het trekt op niets) (Kaprijks)
- 't Is van keske schiet (vroeger schoot men met een luchtkarabijn kaarsjes uit op de kermis en kon men een prijsje winnen) (=Iets van weinig waarde) (Beerses)
- 't is van me zusters (=trekt op niets) (Veurns)
- 't is verre van a gat, ge moet-er nie op zidn (=wanneer iemand hoofdpijn heeft) (Kaprijks)
- 't Is vreend zejt den eu en ie scheutige op zeun jonk. (=Het is erg.) (Maldegems)
- 't is weinig as 't nie 'edeild kan worre en veul as 't nie op kan (=je kunt alles delen, maar kunt ook alles wel op maken) (Nijkerks)
- 't Is zeik op de greep (=Het is niets waard) (Barnevelds)
- 'T ken Fraizn 't ken doojn moor dou mie moor dooie Fraizen (=Ik heb het niet zo op Friesen) (Gronings)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen