36 dialectgezegden bevatten `jan`
- jan mutte klak (=het gewone volk) (Opglabbeeks)
- jan pakt de leuning (=dat wordt knokken) (Rotterdams)
- jan pankouk jan poffert jan eeroppeldaif, doe mos noar mie luustern aans krigst doe wat mit slaif! (=deugniet, stout kind) (Gronings)
- jan rap en zien moat (=het gewone volk) (Westerkwartiers)
- jan strovvel over de geut (=onhandige lomperd) (Westerkwartiers)
- jan Tod, dee heet altied de vinger inne vot (=jan Tod krabt zich vaak in zijn bilnaad) (Heldens)
- jan van as bank (=bank in het park) (Bergs)
- Jau dag jan (=Dat zal wel, dat moet je niet geloven) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- jullije jan (=Aanduiding familie lid (jan) ) (Waalwijks)
- kumt altijd és jan mi z'n eksters, (=komt altijd te laat) (Ossies)
- liever kaajkepòt van het harde wèglôope as kaajdôod dur et afwòchte. (=beter blode jan dan dode jan.) (Tilburgs)
- meddertied komt jan ien 'e boksem (=alles komt te zijner tijd) (Westerkwartiers)
- Met jan en alle man het koffer in duiken (=Met iedereen naar bed gaan) (Amsterdams)
- mèt Sint Job paote ze de boeëne hals äöver kop, en dae neet anges kan dae paotj ze mèt Sint jan (=vanaf begin mei kunnen bonen gepoot worden (naamdag Sint Job op 10 mei), uiterlijk eind juni kun je de laatste oogst bonen zaaien (naamdag Sint jan op 24 juni)) (Heitsers)
- Naar jan Dop gaan (=Naar het uitvaartcentrum gaan) (Helders)
- nau konste ziëker den dikke jan authange (=bluf nu maar!) (Munsterbilzen - Minsters)
- ne jan kis-mën-Kl.... (='n nietsnut) (Munsterbilzen - Minsters)
- Ne jan men kloewete (=Een druktemaker) (Diesters)
- Ne jan mijn klooten (=Zich beter vinden dan anderen) (Bevers)
- ne strongtkloût, ne jan min kloûten, ne zjaarman (=een pretentieus iemand) (Sint-Niklaas)
- nen jan men kloeten (=een pocher) (Antwerps)
- onze janzes (=het gezin van mijn broer jan) (Kaprijks)
- opassen oor anders kom jan iik je illen (=bang makerij) (Zeeuws)
- sjaun sjink zjang, ja zjang sjaun sjink (=mooie hesp jan) (Bilzers)
- sjuun sjoenk jang (=mooie hespen jan) (Opglabbeeks)
- t´is mee jan zelf zeker (=je ziet er deftig uit) (Klings)
- unne rèèke jan Koole (=iemand die er financieel goed bij zit) (Tilburgs)
- van ziêne Jân maake (=zich erg druk maken) (Weerts)
- wat 'n jan Gat (=wat een slome duikelaar) (Westerkwartiers)
- wat 'n jan Hen (=wat een sulletje) (Westerkwartiers)
- wat 'n jan Salie! (=welk een sloom persoon!) (Westerkwartiers)
- wie, jan Lère Gatspie en dan witte nog nie wie (=wie bedoel je) (Dongens)
- zën eege vërbij lope (=meer of gewichtiger doen dan je normaal doet of aankunt -de grote jan willen uithangen) (Munsterbilzen - Minsters)
- Zjang Maajers, mèt zen braudkar, koëm mekan altijd zaot trèg iëver den Driëf van Eegebilze (=Het paard van bakker jan Meyers kende de weg van Eigenbilzen over de Dreef van buiten, als Zjang weer eens zat was.) (Munsterbilzen - Minsters)
- Zjang sjoen sjoehn oan. (=jan heeft mooie schoenen aan.) (Genker)
- Zjang van Gon van Roebbe wont atter wir zaot wor noë haus gerieje én de graute plantekürf van zene viloo (=jan Hanssen van Eik aan de Kapel werd eigenhandig door Gon in zijn eigen plantenkorf naar huis gereden vanuit één of ander café in Munster) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen