Spreekwoorden met `gee`

Zoek


300 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `gee`

  1. een volle buik peinst op geen lege. (=iemand die genoeg te eten heeft is niet bezig is met de zorgen van een ander)
  2. een zondagse steek houdt geen week (=de zondag is geen werkdag maar de dag des Heeren)
  3. een zondagssteek houdt geen week (=er rust geen zegen op het werk wat iemand op zondag doet)
  4. één zwaluw maakt nog geen zomer (=één positieve gebeurtenis betekent niet dat alle problemen opgelost zijn.)
  5. eet geen paaseieren op goede vrijdag (=alles op zijn tijd, het feest niet te vroeg vieren)
  6. elk schot is geen eendvogel (=niet iedere poging of alles wat je doet is succesvol)
  7. er dienen geen twee masten op een schip (=er kan er maar één het bevel voeren)
  8. er geen bal van weten (=niets ervan weten)
  9. er geen been in zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor terugschrikken)
  10. er geen brood in zien (=niet denken dat iets kan werken)
  11. er geen doekjes om winden (=de waarheid onverbloemd vertellen)
  12. er geen drol van begrijpen (=ergens niets van begrijpen)
  13. er geen fluit van begrijpen (=iets niet begrijpen)
  14. er geen gat in zien (=er geen oplossing meer voor zien)
  15. er geen gras over laten groeien (=onmiddellijk profiteren, uitvoeren)
  16. er geen heil in zien (=er geen voordeel in zien)
  17. er geen hoge pet van op hebben (=geen hoge verwachting hebben van iets)
  18. er geen hoogte van kunnen krijgen (=iets maar niet kunnen begrijpen)
  19. er geen hout van snappen (=er niets van begrijpen)
  20. er geen houvast aan hebben (=er weinig mee kunnen doen)
  21. er geen kaas van hebben gegeten (=er geen verstand van hebben)
  22. er geen kijk op hebben (=de oplossing niet zien)
  23. er geen kind aan hebben (=er geen last mee hebben)
  24. er geen laars van weten (=er niets van afweten)
  25. er geen oog voor hebben (=er niet op letten)
  26. er geen pap van gegeten hebben (=er weinig over weten)
  27. er geen peil op kunnen trekken (=er niet van op aan kunnen)
  28. er geen spaan van geloven (=niets ervan geloven)
  29. er geen spaan van heel laten (=iets compleet vernielen)
  30. er geen speld tussen kunnen krijgen (=iets klopt precies, geen gelegenheid krijgen in een gesprek ertussen te komen)
  31. er geen tekeningetje bij moeten maken (=het is overduidelijk)
  32. er geen tittel of jota van afweten (=er helemaal geen kennis van hebben)
  33. er geen touw aan vast kunnen knopen (=door de onduidelijkheid niet kunnen begrijpen wat er wordt bedoeld)
  34. er geen woorden aan vuilmaken (=er niets eens over spreken)
  35. er is geen chocola van te maken (=het is niet te begrijpen)
  36. er is geen doen aan (=hij is niet te overtuigen, niets kan helpen)
  37. er is geen doorkomen aan (=je geraakt er niet door)
  38. er is geen huis met hem te houden (=hij is niet tevreden te stellen, je kan er geen land mee bezeilen)
  39. er is geen ijs of het kost mensenvleis (=als er ijs op de sloten en vijvers ligt, verdrinken er altijd mensen)
  40. er is geen kruid tegen gewassen (=er is niets aan te doen)
  41. er is geen land met hem te bezeilen (=je kan met hem niets aanvangen, omdat hij niet wil meewerken)
  42. er is geen rooi mee te schieten (=je kan er niets mee aanvangen)
  43. er is geen vuiltje aan de lucht (=er is niets aan de hand)
  44. er is geen zalf aan te strijken (=ergens niets aan kunnen doen of geen enkel zinvol advies mogelijk voor iemand)
  45. er klopt geen hout van (=het is geheel onjuist)
  46. er was geen hond/kat/kip (=er was niemand)
  47. er zal geen haan naar kraaien (=dat zal niemand te weten komen)
  48. er zijn geen rozen zonder doornen (=bij elk geluk is er ook verdriet)
  49. er zit geen schot in de zaak (=het gaat niet vooruit)
  50. er zouden geen achterklappers zijn waren er geen aanhoorders (=er wordt alleen geroddeld als er ook naar geluisterd wordt)

235 betekenissen bevatten `gee`

  1. er geen tittel of jota van afweten (=er helemaal geen kennis van hebben)
  2. zolang er leven is, is er hoop (=er is altijd hoop, dus geef nooit op!)
  3. het is als met de koeien van de Farao. (=er is geen goed aan te doen (De koeien van de Farao bleven mager))
  4. doorgestoken kaart (=er is heel duidelijk iets mis! Hier is getracht om iemand te laten geloven dat er bij toeval iets gebeurt, terwijl het in feite van tevoren gearrangeerd is)
  5. tussen wal en schip vallen (=er niet bij passen of genegeerd worden.)
  6. in het duister tasten (=er niets over weten, geen aanknopingspunten vinden)
  7. er koksgast van blijven (=er niets van krijgen , er geen vooruitgang mee maken)
  8. een zondagssteek houdt geen week (=er rust geen zegen op het werk wat iemand op zondag doet)
  9. daarmee is de kous af. (=er wordt geen aandacht meer aan gegeven)
  10. iets links laten liggen (=ergens geen aandacht aan geven)
  11. genade vinden (=ergens geen straf voor krijgen of iets niet toegerekend worden)
  12. van iets zoveel verstand hebben als een koe van saffraan eten (=ergens geen verstand van hebben)
  13. met de muts naar iets gooien (=ergens geen zorg aan besteden / er een slag naar slaan, ernaar raden)
  14. er is geen zalf aan te strijken (=ergens niets aan kunnen doen of geen enkel zinvol advies mogelijk voor iemand)
  15. van Teeuwes nog Meeuwes weten (=ergens van helemaal geen verstand hebben)
  16. waar de boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zaken nemen geen keer)
  17. geef, zodat je gevende blijft (=geef niet meer dan dat je kunt missen.)
  18. de reis is nog niet ten einde als men kerk en toren herkent (=geef niet op voor het doel geheel is bereikt)
  19. de geest is gewillig maar het vlees is zwak. (=geef niet toe aan verboden verleidingen)
  20. achter de schermen blijven (=geen bekendheid ergens mee willen krijgen terwijl diegene het wel bedacht heeft)
  21. je de wet niet voor laten schrijven (=geen bevelen accepteren van een ander)
  22. er geen been in zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor terugschrikken)
  23. aan elkaar hangen als droog zand (=geen enkele samenhang vertonen)
  24. geen been hebben om op te staan (=geen enkele verantwoording kunnen geven)
  25. beurs op de knip / Hand op de knip (=geen geld (meer) uitgeven)
  26. op zwart zaad zitten (=geen geld hebben)
  27. kruis noch munt hebben (=geen geld hebben)
  28. rut zijn (=geen geld meer hebben)
  29. geen katje om zonder handschoenen aan te pakken (=geen gemakkelijk persoon)
  30. geen kou aan de lucht (=geen gevaar)
  31. in het verdomboekje staan (=geen goed meer kunnen doen)
  32. geen hart in het lijf hebben (=geen greintje medelijden kennen)
  33. er geen hoge pet van op hebben (=geen hoge verwachting hebben van iets)
  34. Joost mag het weten (=geen idee hebben (Joost = de duivel))
  35. dweilen met de kraan open (=geen kans op succes hebben, omdat men de symptomen bestrijdt zonder de oorzaak aan te pakken)
  36. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  37. met de rug tegen de muur staan (=geen kant op kunnen, hooguit een laatste uitweg)
  38. te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken (=geen kind meer, maar nog te jong voor volwassen zaken)
  39. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
  40. een hart van steen hebben (=geen medelijden met anderen hebben)
  41. stad en land aflopen. (=geen moeite sparen om iets te bereiken)
  42. kind noch kraai hebben (=geen nazaten of andere familieleden hebben, alleen rekening moeten houden met zichzelf)
  43. iets aan je laars lappen (=geen notitie nemen van regels, wet of voorschriften)
  44. je kruit droog houden (=geen onnodige acties ondernemen of energie verspillen.)
  45. het huisje bij het schuurtje houden/laten (=geen onnodige uitgaven doen)
  46. schaakmat zijn (=geen oplossing meer weten)
  47. met de handen in het haar zitten (=geen oplossing meer weten)
  48. bij de pakken neerzitten (=geen oplossing meer zoeken, niet meer verder doen)
  49. in de piepzak zitten (=geen oplossing weten, Bang zijn voor de gevolgen)
  50. geen poot aan de grond kunnen krijgen (=geen schijn van kans blijken te hebben)

28 dialectgezegden bevatten `gee`

  1. geld mok nie gelèkkëg, gee geld heilegans nie (=een beetje geld kan geen kwaad) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. goo taan maoke vannen iëzël nog gee piëd (=omdat je veel geld hebt word je nog geen beter mens) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. hae hètter gee goed oog èn (=de oogarts ziet het niet meer zitten) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. hae hoch nog gee sjrempke (=hij mankeerde niets) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. Hoe gee ut? (=Hoe gaat het?) (Maas en waals)
  6. ich gaef ter gee knepke mei vieër (=dat is niets meer waard) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. ich hüb gee klaoge (=alles loopt gesmeerd) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. ich kin gee frans, mér frans kint mich waol (=fransspreken kan ik niet) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. klaogër hëbbe geen naud,mér stoeffërs gee braud (=klagers en bluffers zijn soms averechts) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. klaogers gene naud, stoefers gee braud (=klagers hebben geen nood en bluffers geen brood) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. klaogërs gene naud, stoefers gee braud (=klagers hebben het vaak niet zo slecht als ze laten blijken, opscheppers niet zo goed als ze zich voordoen) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. Klaogers hèmme genen noed, stóffers gee broed. (=Klagers hebben geen nood, pochers geen brood.) (Genker)
  13. mèt de haan èn de sjaut, kraajgste gee braud (=van niets doen zal je niet rijk worden) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. mètte haan èn zëne sjaut, kraajgste gee braut (=wie niet werkt, heeft geen eten) (Munsterbilzen - Minsters)
  15. nog gee bittëke verlaege zin (=alles durven zonder schroom) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. omdattet gee waer wor vërnen hond dër te jaoge, stuurdeter zen kat (=oor weersomstandigheden kwam hij niet opdagen) (Bilzers)
  17. on dich is gee vèt te krijge (=eet wat beter!) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. Taesse twelf en één és gee goed volk opte been (='s nachts is niets te zoeken op straat) (Bilzers)
  19. ter gee graos lotte iëver wasse (=er als de kippen bij zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. tërdievël ès vër gee bittëke bang (=hij durft nu ook eens alles !) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. tès ammël gee hoërsnaajer (=het is allemaal niet zo simpel) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. tit gee braud (=doe maar rustig aan) (Bilzers)
  23. van nën ieëzël konste gee koerspieëd maokë (=een dommerik wordt nooit geniaal) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. versteeste gee vlaoms (=hoor je niet goed) (Munsterbilzen - Minsters)
  25. vür e stëkske wos konste gee heil vèrke èn haus haole (=ik wil niet hertrouwen!) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. zau ë waer ès gee waer ! (=zulk weer is helemaal geen weer !) (Munsterbilzen - Minsters)
  27. Ziede gee d' r enne van de moelsmit (=Ben jij de zoon van de tandarts) (Groesbeeks)
  28. zot zin doe geé zeer (=zot zijn doet geen pijn) (Sint-Niklaas)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen