Spreekwoorden met `an`

Zoek


2133 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `an`

  1. aan de vishaak bijten (=zich laten vangen, toehappen)
  2. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  3. aan de voorhand zijn/zitten (=voorrang hebben)
  4. aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  5. aan de weg timmeren (=veel activiteiten ontplooien en daarmee naar buiten treden om verandering en vernieuwing te bewerkstelligen)
  6. aan de zwabber zijn (=een onbezorgd leventje leiden)
  7. aan de zwier zijn (=uitgaan, drinken)
  8. aan dovemans deur kloppen (=vragen terwijl men geen gunstig antwoord hoeft te verwachten)
  9. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  10. aan een been knagen (=langdurig vergeefs bezig zijn)
  11. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  12. aan een dood paard trekken. (=je inspannen voor iets, dat tot mislukken gedoemd is)
  13. aan een goed kantoor zijn (=op de juiste plaats zijn)
  14. aan een klein vogeltje past geen grote bek. (=kinderen moeten gehoorzamen)
  15. aan een oor doof zijn (=iets niet willen horen)
  16. aan een oud dak moet je veel herstellen (=verouderde zaken vergen nu eenmaal onderhoud)
  17. aan een stuk door (=ononderbroken)
  18. aan een touw trekken (=eensgezind optreden)
  19. aan een touwtje hebben (=in zijn macht hebben)
  20. aan een zijden draadje hangen (=de kansen zijn nog niet verkeken, maar het scheelt erg weinig)
  21. aan elkaar gewaagd zijn (=beiden vrijwel evenwaardig zijn)
  22. aan elkaar hangen als droog zand (=geen enkele samenhang vertonen)
  23. aan elkaar knopen (=gegevens samenvoegen)
  24. aan elke goede visser ontsnapt wel eens een aal (=iedereen maakt wel eens een foutje)
  25. aan gene zijde van het graf (=na de dood)
  26. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  27. aan het (sleep)touw houden (=bezig houden / aan het lijntje houden)
  28. aan het andere eind van de wereld (=heel ver weg)
  29. aan het eind van zijn akker zijn (=het geld is op)
  30. aan het eind van zijn Latijn zijn (=uitgeput zijn)
  31. aan het klokzeel hangen (=bekend maken)
  32. aan het kortste eind trekken (=in de ongunstigste positie zijn / verliezen)
  33. aan het laatje zitten (=bij de bron zitten / geld hebben)
  34. aan het langste eind trekken (=in de voordeligste positie zijn)
  35. aan het licht brengen (=bekend maken (bijz. van ongunstige dingen))
  36. aan het licht komen (=bekend worden van ongunstige dingen)
  37. aan het lijf schieten (=haastig aantrekken (kleding))
  38. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden /  beloven, maar steeds weer uitstellen)
  39. aan het roer zitten/staan (=de leiding hebben)
  40. aan het verkeerde kantoor zijn (=iemand die je niet kan helpen)
  41. aan het verstand brengen (=duidelijk maken)
  42. aan het vinkentouw zitten (=in spanning iets afwachten en graag door willen)
  43. aan hetzelfde euvel mank gaan (=dezelfde fouten maken als iemand anders)
  44. aan iemands leiband (=door iemand geleid)
  45. aan iemands lippen hangen (=aandachtig luisteren)
  46. aan iemands voeten liggen (=iemand vereren, een absolute fan van iemand zijn)
  47. aan iets blijven hangen (=ergens verstrikt in raken, ermee bezig blijven)
  48. aan je palen trekken (=zonder mededeling inpakken en wegwezen)
  49. aan kant doen (=opruimen)
  50. aan lager wal geraken (=fortuin verliezen; arm en berooid worden)

2469 betekenissen bevatten `an`

  1. op de grote trom slaan (=aandacht proberen te krijgen voor diens zaak)
  2. het oor scherpen/spitsen (=aandachtig luisteren)
  3. aan iemands lippen hangen (=aandachtig luisteren)
  4. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  5. het oor strelen (=aangenaam in de oren klinken)
  6. in het vat gieten (=aanleggen)
  7. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  8. voor lief nemen (=aanvaarden)
  9. in het eerst (=aanvankelijk)
  10. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `Kinderen die vragen worden overgeslagen.`)
  11. iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
  12. werelds goed is eb en vloed (=aardse goederen komen en gaan)
  13. op een letter doodblijven (=absoluut niets veranderd willen zien)
  14. een zeperd halen (=afgaan)
  15. uit iemands hand eten. (=afhankelijk zijn.)
  16. op je tabbaard/tabberd zitten (=afranselen)
  17. verandering van weide doet de koeien goed. (=afwisseling en verandering positieve effecten kunnen hebben)
  18. met de vork schrijven (=afzetten, meer kosten rekenen dan werkelijk gemaakt)
  19. vragen kost geen geld (=al heb je weinig kans, je kan het in elk geval maar vragen)
  20. sinds mensenheugenis (=al lange tijd)
  21. sinds jaar en dag (=al lange tijd)
  22. al lang en breed (=al lange tijd)
  23. kunnen lezen en schrijven (=al lange tijd goede diensten bewezen hebben)
  24. in de kiem smoren (=al van bij het begin doen stoppen)
  25. de toets  kunnen doorstaan (=alle antwoorden op vragen/problemen weten)
  26. het tafellaken doorsnijden (=alle bindingen met iemand verbreken)
  27. de derde streng houdt de kabel. (=alle goede dingen bestaan in drieën)
  28. het gelag betalen (=alle kosten moeten betalen terwijl ook anderen er schuld aan hebben)
  29. geld stinkt niet (=alle manieren om aan geld te komen zijn toegestaan)
  30. alles op haren en snaren zetten (=alle middelen aanwenden / alles in het werk stellen)
  31. het doel heiligt de middelen (=alle middelen zijn toegelaten, zolang het doel maar bereikt wordt)
  32. al het goede komt van boven (=alle zegen komt van god)
  33. `t Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  34. de Mammon dienen (=alleen maar belangstelling hebben voor geld)
  35. iemand over de hekel halen (=allerlei slechte dingen vertellen over iemand)
  36. niets afslaan behalve vliegen (=alles aannemen)
  37. de wereld op zijn duim kunnen draaien (=alles doen wat iemand wil)
  38. het loopt op rolletjes (=alles gaat als vanzelf)
  39. de kust is veilig (=alles is in orde - er is niemand in de buurt)
  40. zo vrij als een vogeltje in de lucht (=alles kunnen doen en laten wat iemand wil)
  41. alles door het halsgat jagen (=alles opmaken aan eten en drinken)
  42. alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
  43. een oude rot in het vak (zijn) (=alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen)
  44. iemand tot op zijn hemd uitkleden (=alles van iemand afnemen, een te hoge prijs laten betalen)
  45. iemand om zijn vinger (kunnen) winden (=alles van iemand gedaan (kunnen) krijgen of alles mogen)
  46. aan alle dingen komt een eind. (=alles verandert)
  47. landen verzanden, zanden verlanden. (=alles verandert)
  48. je hebben en houwen verliezen (=alles wat iemand bezit kwijtraken)
  49. ad acta leggen (=als afgedaan beschouwen)
  50. het is alle dagen visdag maar geen vangdag (=als de buit of vangst tegen valt)

50 dialectgezegden bevatten `an`

  1. 't zal me an me reet roesten (='t raakt mij niet) (Amsterdams)
  2. ‘t is an de gank (=het is bezig) (Kaprijks)
  3. ‘t is liuëluk in’t koat an ‘t goan (=het is aan het ontsteken (infecteren)) (Kaprijks)
  4. ' k' n zie der mij gieën doen an (=dat is een onbegonnen werk (1° pers. enkv.) ) (Waregems)
  5. ' n Pèèr ân hebbe (=dronken zijn) (Genneps)
  6. ' t ' n es gieën zeg' n an (=argumenten / herhalingen zijn tevergeefs) (Waregems)
  7. ' t es oin toer / ' t es an oi (=het is jouw beurt) (Waregems)
  8. ' t koom geeën end' an (=het blijft maar duren) (Waregems)
  9. ' t mes snit an twee kant' n (=hij verdient aan alle kanten) (Westerkwartiers)
  10. a ge da us wit dan gut da perke wel an (=als je dat eens wist dan gaat het lampje wel branden) (Wijchens)
  11. A-j er goed an toekoemen (=Alles wel beschouwd, goed bekeken) (Giethoorns)
  12. A'j er now ies goed an toekomen (=Op de keeper beschouwd, serieus bekeken.) (Giethoorns)
  13. A'j n vearkn veuroet wilt loatn loopn dan mö'j um an n stert trekn. (=Aktie is reaktie) (Twents)
  14. A' j' an een peene trekt, heel den ' ut ruttelt. (=Vaststelling: dat is allemaal familie van elkaar.) (West-Vlaams)
  15. Aargens pak an em-m (=Stevig kunnen vastpakken) (Giethoorns)
  16. aarges een naore hekel an hên (=ergens een grote hekel aan hebben) (Zwartebroeks)
  17. Ai lui bint doa kun ie niks an doon, maar ai meu bint is't oe eig'n schuld (=Als je lui bent kun je niets aan doen, maar als je moe bent is het je eigen schuld) (Twents)
  18. aj gek word, komt joe in de kop an (=als je gek wordt, gebeurt het in je hoofd) (Klazienaveens)
  19. Alles wel an boord! (=Alles goed! 1.) (Schevenings)
  20. Allie moeder hengt nie an oew krois (=Moeders kindje) (helmonds)
  21. an ' t sunterklaze (=sinterklaas aan het vieren) (Westfries)
  22. an beiese kante dernève (=Ernaast zitten) (Betuws)
  23. an brokke wéjze, ik bin an brokke (=Erg vermoeid zijn) (Volendams)
  24. an d' achterste tette leggen (=Minder goed bedeeld zijn) (Veurns)
  25. an d'naak aan (=der mee stoppen) (Knesselaars)
  26. an d' r dönne zieë, an d' r flotte zieë (=diarree hebben) (Kerkraads)
  27. an de achterste päppe lègen (=Slecht bedeeld worden) (Kampers)
  28. an de balie angn (=failliet zijn) (Veurns)
  29. an de Dampiuërt'afsstabn (=coitus interruptus) (Kaprijks)
  30. án de gunne kânt (=aan de andere kant) (Horster)
  31. an de kaant of in de kraant! (=Opzij!) (Enschedees)
  32. an de kar elp' n steek' n / duiën (=de zaak / het doel steunen / promoten) (Waregems)
  33. an de latte (=Uitgeput zijn) (Vaassens)
  34. an de latten (=Moe zijn) (Drents)
  35. an de latten wezen (=Heel moe zijn) (Giethoorns)
  36. an de loop (=Diarrhee) (Giethoorns)
  37. an de maht (=dik) (Westlands)
  38. an de reet gaan (=weggaan) (Westfries)
  39. an de reet weest? (=de bloemetjes buiten gezet?) (Westfries)
  40. an de rol weest (=met iemand naar bed geweest zijn) (Westfries)
  41. an de stutte skudde (=zich laten gelden) (Zaans)
  42. an de toe deur kómme (=Niemand thuis treffen) (Genneps)
  43. an de veûle kaant (=ruim voldoende) (Zwartebroeks)
  44. an de vrucht'n kenst doe de boom (=aan de resultaten kent men de mensen) (Westerkwartiers)
  45. án de wapper ziên (=aan het wandelen zijn) (Horster)
  46. an den életriek leën (=in het stopkontakt steken) (Kaprijks)
  47. an den oals bringn (=kapot laten gaan) (Knesselaars)
  48. an den ols elpen (ols = hals) (=om zeep helpen) (Wevelgems)
  49. an den ols kommen (=omkomen, stuk gaan) (Veurns)
  50. an der dönne zië (=diarree hebben) (Eys)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen