Spreekwoorden met `WOr`

Zoek


78 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `WOr`

  1. men WOrdt wel door een mestkar maar niet door een rijtuig overreden (=goed opgevoede mensen beledigen anderen minder)
  2. met alle zonden van Israël beladen WOrden (=voor alles de schuld krijgen)
  3. met de maat waarmee gij meet, zal u weder gemeten WOrden (=op de manier zoals je een ander behandelt zal je ook zelf behandeld worden)
  4. met een baksteen in de maag geboren WOrden (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is)
  5. met een metWOrst naar een zij spek gooien (=iets weinig waardevols opofferen om iets waardevols terug te krijgen)
  6. met passen en met meten WOrdt de meeste tijd versleten (=voorbereidingen zijn dikwijls het meest tijdrovend onderdeel van een taak)
  7. met tak en WOrtel uitroeien (=geheel uitroeien)
  8. met WOrtel en tak uitroeien (=iets volledig bestrijden om er geen last meer van te hebben)
  9. neem je hoed niet af voordat je gegroet WOrdt (=men moet een ander nooit in de rede vallen)
  10. of je WOrst lust! (=antwoord als iemand `Wat?!` zegt)
  11. of men van de kat of de kater gebeten WOrdt (=het maakt geen verschil)
  12. ongegund brood WOrdt veel gegeten. (=vaak kan men het niet verdragen dat het een ander beter gaat.)
  13. ook de ceders van Libanon WOrden afgehouwen (=ook heilige dingen vergaan)
  14. ridder te voet geWOrden zijn (=rijkdom is verdwenen)
  15. schreeuwen of men levend gevild WOrdt (=heel hard schreeuwen)
  16. slapende rijk WOrden (=veel geld verdienen zonder er iets voor te moeten doen)
  17. snotterige veulens WOrden de gladste paarden. (=kwajongens die nergens voor lijken te deugen, worden vaak flinke mannen)
  18. van je á propos gebracht WOrden (=in de war gebracht worden)
  19. van koper blijf je proper en van ijzer WOrd je niks wijzer (=koper is veel waard, ijzer niet)
  20. vieze varkens WOrden niet vet (=wie overal vies van is, zal niet veel te eten krijgen)
  21. waar geen aardappelen gepoot WOrden, zullen er ook geen groeien (=als je niet een goed begin voor iets legt, zal er ook niets van worden)
  22. waar gehakt WOrdt, vallen spaanders (=waar werk verricht wordt, worden ook wel wat fouten gemaakt)
  23. wat Jantje is zal Jan WOrden. (=wel ouder worden maar dezelfde streken houden)
  24. wie met pek omgaat, WOrdt ermee besmet (=wie met slechte mensen omgaat neemt de gewoontes van die mensen over)
  25. wie olie meet WOrdt er vet van (=in slecht gezelschap wordt men slecht)
  26. wie voor een dubbeltje geboren is, WOrdt nooit een kwartje (=je kunt nooit boven de stand komen waarin je geboren bent. Arm geboren, zal wel arm blijven)
  27. WOrtelen doet `t gat bortelen. (=het eten van wortelen bevordert de stoelgang.)
  28. zo rood WOrden als een kalkoense haan (=bloedrood worden (van schaamte))

305 betekenissen bevatten `WOr`

  1. kinderen die vragen worden overgeslagen (=brutale kinderen die altijd overal om vragen, WOrden genegeerd)
  2. men heeft daar latten op het dak (=daar WOrdt afgeluisterd)
  3. daar zal wat zwaaien (=daar zal een hartig woordje gesproken WOrden)
  4. die snaar moet men niet aanroeren (=daarover moet niet gesproken WOrden)
  5. dat staat op de agenda (=dat gaat nog gebeuren; dat gaat nog besproken WOrden)
  6. dat is een bal voor open doel (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerwoord op gegeven kan WOrden)
  7. dat is de druppel die de emmer doet overlopen (=dat is maar een kleine ergernis, maar samen met wat er al gebeurd is, WOrdt het niet meer geaccepteerd)
  8. iets op je lever hebben (=dat je nog iets wilt uiten, dat er iets is dat je heel erg dwars zit en dat gezegd moet WOrden)
  9. dát doet de deur dicht (=dat WOrdt niet geaccepteerd)
  10. de natuur is sterker dan de leer (=datgene wat aangeleerd is WOrdt gauw vergeten)
  11. door het kluisgat aan boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te WOrden)
  12. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer WOrden van overmacht.)
  13. in de lift zitten (=de situatie waarin het zit WOrdt beter)
  14. de dans om het gouden kalf (=de strijd om rijk te WOrden)
  15. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak WOrdt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  16. mundus vult decipi (=de wereld wil bedrogen WOrden)
  17. de leer veroordelen maar de leraar sparen (=de WOrtel van het probleem niet aanpakken)
  18. je beslag krijgen (=definitief ten einde lopen , beslist WOrden)
  19. dat zaakje zal wel doodbloeden (=die kwestie zal geleidelijk aan wel WOrden vergeten)
  20. die is niet voor de poes (=die moet als tegenstander niet onderschat WOrden)
  21. je kan niet door een muur lopen, behalve als er een deur in zit (=dingen kunnen alleen gedaan WOrden als er een reële kans toe is)
  22. thuis is in je schuur (=dit WOrdt gezegd als je weinig thuis bent)
  23. Oost-Indisch doof zijn (=doen alsof er niets gehoord WOrdt)
  24. genadebrood eten (=door anderen onderhouden WOrden)
  25. je trekken thuis krijgen (=door anderen op dezelfde manier behandeld WOrden als je hun behandelde (bv met een streek))
  26. goed gereedschap is het halve werk (=door de juiste hulpmiddelen te gebruiken WOrdt het karwei snel geklaard)
  27. er geen touw aan vast kunnen knopen (=door de onduidelijkheid niet kunnen begrijpen wat er WOrdt bedoeld)
  28. in goede aarde vallen (=door de ontvanger goed ontvangen WOrden)
  29. tijd heelt alle wonden (=door het verloop van tijd WOrden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  30. tijd slijt (=door het verloop van tijd WOrden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  31. de nekslag geven (=door iets WOrdt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan)
  32. de gestage drup holt de steen (uit) (=door vol te houden WOrdt uiteindelijk wel het doel bereikt)
  33. door de mand vallen (=doorzien WOrden)
  34. een stuk in je kraag drinken (=dronken WOrden)
  35. met een rode letter aangetekend staan (=duidelijk vermeld , zodanig dat het zeker niet vergeten WOrdt)
  36. onder de neus wrijven (=duidelijk zeggen wat er van gevonden WOrdt)
  37. een verborgen agenda hebben (=een doel hebben dat voor de anderen verborgen gehouden WOrdt, bijvoorbeeld in een samenwerkingsverband)
  38. goed bloed kan niet liegen (=een edele afkomst WOrdt altijd opgemerkt)
  39. een vogel voor de kat (=een hulpeloos slachtoffer, dat niet meer gered kan WOrden)
  40. van praat komt praat (=een nieuwtje WOrdt snel verder verteld)
  41. een wet van Meden en Perzen zijn (=een regel waarvan nooit mag WOrden afgeweken)
  42. zo rood als een kreeft (=een rode kleur hebben. (kreeft WOrdt knalrood tijdens het koken))
  43. een hazenslaapje (=een slaap, die zo licht is, dat men bij `t minste geluid wakker WOrdt)
  44. ongeluk komt zelden alleen (=een tegenslag WOrdt vaak gevolgd door nog meer problemen)
  45. ten hemel schreiend (=een toestand die zo erg is dat er eigenlijk direct iets aan gedaan zou moeten WOrden)
  46. een broodje aap (=een verzonnen verhaal dat als waarheid WOrdt verspreid.)
  47. de kost gaat voor de baat uit (=eerst moeten er kosten WOrden gemaakt alvorens men er iets aan verdienen kan)
  48. op de schopstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen WOrden)
  49. op de wip zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen WOrden)
  50. op de wipstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen WOrden)

50 dialectgezegden bevatten `WOr`

  1. hae goeng zoe heisteg ter van dür, ziëker omdat ter gepressiërd WOr (=hij was er plots vandoor, hij was zeker gehaast) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. hae WOr den hoek um (=de loodgieter legde 't loodje) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. hae WOr èn de ziëveste hiemel (=de cipier vond de sleutels naar het geluk) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. hae WOr foetsjie (=de goochelaar toverde zichzelf weg) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. hae WOr knots autgeboerd (=hij heeft het moeten opgeven) (Bilzers)
  6. hae WOr krimineiletig zaot (=hij was straalbezopen) (Bilzers)
  7. hae WOr opte slaog ribbedebie (=hij trok er snel vanonder) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. hae WOr ter nie goed van (=de cardioloog was er het hart van in toen zijn patiënt stierf) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. hae WOr ter van onder (=de glazenwasser poetste de plaat) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. het WOr nen echte commediant (=de acteur speelde cinema) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. hij wies nie WOr z'n gewèr waar (=hij was zijn geweer kwijt) (Tilburgs)
  12. ich kriëg taajing datter wir WOr blijve plekke (=ik kreeg bericht dat hij weer op café was blijven hangen) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. ich WOr al wakker vërdat ich opstond (=ik was al heel vroeg wakker) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. ich WOr bekans(mëkan) Piëtëre (=ik was bijna dood (bij sint pieter)) (Munsterbilzen - Minsters)
  15. ich WOr dich, en dich WOrs mich.Ich bén men eege nimei. (=met iedere vriend die we verliezen, verliezen we een stuk van onszelf) (Bilzers)
  16. ich WOr heil bauten ojem van piere altrëwaose (=ik was bekaf van pure ontzetting) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. ich WOr on haan en viet geklausterd (=ik kon niet anders, ik was machteloos) (Bilzers)
  18. ich zoo toch mér ë tauntsjë leigër zinge, as ich tich WOr (=ik zou me toch wat inhouden, als ik in je plaats was) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. ie WOr in de beuter ebakkn (=hij WOrdt verwend) (Zeeuws)
  20. ik WOr (=ik WOrd) (Lunters)
  21. Ik WOr sjiebekes (=Ik WOrd er gek van) (Brabants)
  22. in lee WOr da den nond zen broek afdee (=in lede waar den hond zijn broek af deed) (Leeds)
  23. iuëre rok WOr te kort (=zwanger zijn) (Kaprijks)
  24. Jezus zaach tot zën dissiepëlë : 'wae gene fits hèt, moet mèr tevoet aoftriepële. Petrus WOr heilegans nie bang en kroep bij Jezus opte stang ! (=een goede leerling neemt elke kans te baat) (Munsterbilzen - Minsters)
  25. jie WOr (=jij WOrdt) (Lunters)
  26. joeng, da WOr mich e sjaun miëbel (=de antiquair deed een verjongingskuur) (Munsterbilzen - Minsters)
  27. kéer mor wérre va WOr da ge komt (=maak dat je weg bent) (Oudenhoofs)
  28. kzèn dur WOr (=Ik ben er hoor) (`t-Heikes)
  29. Maor as gij ut zeet, dan geleuf ik oe gère WOr (=Als jij het zegt, geloof ik je graag) (Bosch)
  30. mee passe en mete WOr veul tijd verslete (=dat is een tijdrovend werk) (Oudenbosch)
  31. mèt ne stêk bau een versjet WOr op vastgebonne, stoepde vër de vèsse èn de biëk (=we spitsten de vissen uit de beek op een vork die vastgemaakt was op een lange stok) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. nen echte kammeraod és iemes dae dich onder ze laeve vertëlle WOr aander autbemmele noë zene daud (=goede vrienden hebben geen geheimen voor mekaar) (Bilzers)
  33. no WOr eddet (=waar ge je heen) (Antwerps)
  34. oast jokt moete schartn / tStae gheschrévn èn gedrukt da de moet schartn WOr dat jukt. (=als het jeukt moet je krabben) (oudenaards)
  35. oja mi gistrn heurt, WOr k vandoge u moarte (=ik doe niet alles wat je vraagt...) (Kortrijks)
  36. omdatter sneppeke WOr ho (ch) ter altijd viël nauten op zene zang (=omdat hij haantje de voorste was, had hij altijd veel komplimenten) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. omdattet gee waer WOr vërnen hond dër te jaoge, stuurdeter zen kat (=oor weersomstandigheden kwam hij niet opdagen) (Bilzers)
  38. schiet noe es een bitje op, mn bloed WOr kerremelk (=opschieten) (Zeeuws)
  39. tot de pruimetijd WOr (=tot ziens) (Kerkdriels)
  40. tstae geschrévn èñ gedrœkt datte moet schartn WOr dat jœkt (=krabben) (oudenaards)
  41. ut is ok gekkewerk ok WOr (=daar is geen beginnen aan!) (Kerkdriels)
  42. van fèène rèège èn fèèn mêense wòr de ut miste nat. (=door fijne regen en fijne mensen WOrd je het meest bedonderd) (Tilburgs)
  43. verdoeme, daaj WOr kot van stof (=ze was nogal kortaf, verdorie!) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. Vruger konde precies dùije WOr iemes vandàn kwam. Dè gi host niemir. (=Vroeger kon je exact duiden waar iemand vandaan kwam. Dat lukt bijna niet meer.) (Valkenswaards)
  45. waaj pa bij os ma WOr èngëbroeëke, heb ich nieëgë moen èn de bak gezaetë (=toen onze pa onze mama heeft gepakt, was ik de klus) (Munsterbilzen - Minsters)
  46. WOr blèft d'n tijd (=Waar blijft de tijd) (Valkenswaards)
  47. WOr da te keuning tevoete gae. (=WC) (oudenaards)
  48. WOr ge èiges nie komt, WOrre ow de vuut nie gewasse (=Waar je er zelf niet komt doen ze niets voor je.) (Genneps)
  49. WOr is dat eblon (=waar is dat gebleven) (Veurns)
  50. WOr ist nô koers (=waar loop je nu naar toe?) (Sint-Niklaas)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen