Spreekwoorden met `Ema`

Zoek


413 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Ema`

  1. helEmaal van slag zijn (=in de war zijn)
  2. het iEmand warm maken (=iemand in moeilijkheden brengen)
  3. het is een kwade wind die niEmand voordeel brengt (=er is altijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren)
  4. het is muis als moer, een staart hebben ze allEmaal. (=beide opties zijn vervelend)
  5. het is niet voor de ganzen gEmaakt (=we kunnen het maar beter uitdrinken)
  6. het land hebben aan iets/iEmand (=een hartgrondige afkeer hebben)
  7. het met iEmand aan de stok hebben/krijgen (=ruzie met elkaar hebben/krijgen)
  8. het niet op iEmand hebben (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  9. het op iEmand begrepen hebben (=iemand goed kunnen verdragen / iemand is altijd de pineut)
  10. het op iEmand gemunt hebben (=steeds dezelfde persoon die ergens last van heeft)
  11. het op iEmand niet begrepen hebben (=iemand niet vertrouwen)
  12. het tij wacht op niEmand. (=benut kansen voor het te laat is)
  13. hoogmoed deed nooit iEmand goed. (=arrogantie en overmoed zijn slechte eigenschappen)
  14. huizen op iEmand kunnen bouwen (=sterk op iemand kunnen vertrouwen)
  15. iEmand (aan) de pols voelen (=iemand uithoren)
  16. iEmand aan de dijk zetten (=iemand ontslaan)
  17. iEmand aan de tand voelen (=op strenge manier ondervragen)
  18. iEmand aan het lijntje hebben (=meewerken met iemand)
  19. iEmand aan het touw hebben (=over iemand de macht hebben)
  20. iEmand aan zijn angel krijgen (=iemand in zijn macht krijgen)
  21. iEmand aan zijn woord houden (=van iemand eisen dat hij zijn belofte nakomt)
  22. iEmand aanschieten (=iemand aanspreken)
  23. iEmand achter de bank schuiven (=iemand minachtend behandelen)
  24. iEmand achter de broek/veren/vodden zitten (=iemand aansporen/opjagen / nauwlettend volgen)
  25. iEmand afschepen (=met een voorwendsel wegzenden)
  26. iEmand beest maken (=kaartspel : zorgen dat iemand geen enkele slag haalt)
  27. iEmand belet geven (=iemand niet ontvangen)
  28. iEmand bij de kladden grijpen (=iemand bij zijn kleren grijpen)
  29. iEmand bij de lurven pakken (=iemand stevig vastpakken)
  30. iEmand bij de neus nemen (=iemand voor de gek houden; iemand bedriegen)
  31. iEmand bijspijkeren (=iemand met geld of kennis ondersteunen)
  32. iEmand blij maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzicht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
  33. iEmand bont en blauw slaan (=iemand zo slaan dat hij een dik gezicht met blauwe en geel blauwe vlekken krijgt)
  34. iEmand de beurs lichten (=van iemand geld stelen/afhandig maken)
  35. iEmand de bons geven (=iemand waarmee je een relatie hebt niet meer willen zien)
  36. iEmand de brokken in de mond tellen (=iemand iets helemaal niet gunnen)
  37. iEmand de deur wijzen (=iemand wegsturen)
  38. iEmand de duimschroeven aanzetten (=iemand scherp ondervragen, onder grote druk zetten)
  39. iEmand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
  40. iEmand de hand boven het hoofd houden (=iemand in bescherming nemen)
  41. iEmand de handen zalven (=iemand een geschenk geven in de hoop een gunst te bekomen)
  42. iEmand de handschoen toewerpen (=iemand ergens toe uitdagen of met iemand de strijd willen aangaan)
  43. iEmand de hielen laten zien (=inhalen of beter presteren dan de ander)
  44. iEmand de hielen likken (=erg onderdanig of nederig tegen iemand doen)
  45. iEmand de huid over de oren halen (=iemand afzetten, bedriegen)
  46. iEmand de huid vol schelden (=iemand uitschelden)
  47. iEmand de ijzers aanleggen (=iemand boeien of onder grote druk zetten)
  48. iEmand de kroon van het hoofd nemen (=iemand te schande maken)
  49. iEmand de laan uitsturen (=iemand ontslaan)
  50. iEmand de les lezen (=duidelijk zeggen dat iemand iets verkeerds gedaan heeft)

688 betekenissen bevatten `Ema`

  1. dat is een ver-van-mijn-bedshow (=dat is iets waar ik me helEmaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van hier gebeurt)
  2. dat is ook geen heksen (=dat is wel heel gEmakkelijk)
  3. dat past als een vuist in een oog (=dat past helEmaal niet)
  4. er zal geen haan naar kraaien (=dat zal niEmand te weten komen)
  5. uit het oog, uit het hart (=de aandacht voor iEmand verliezen, als die persoon niet meer in de nabijheid is)
  6. bomen ontmoeten elkaar niet, mensen wel (=de kans dat je iEmand toevallig tegenkomt is groot)
  7. iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iEmands leven en dood en welbevinden)
  8. een streep door de rekening halen (=de schuld van iEmand kwijtschelden en het er niet meer over hebben)
  9. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gEmakkelijk als je elkaar helpt)
  10. weten waar de aal kruipt (=de ware bedoelingen van iEmand doorzien)
  11. aan hetzelfde euvel mank gaan (=dezelfde fouten maken als iEmand anders)
  12. het heen en weer krijgen (=diarree krijgen - vooral gezegd van iets dat helEmaal niet bevalt)
  13. het hart op de tong dragen (=direct zeggen wat iEmand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  14. scherven brengen geluk. (=dit zeg je om iEmand zich minder schuldig te laten voelen)
  15. iemand links laten liggen (=doen alsof iEmand er niet is, niet bemoeien met iEmand)
  16. woord houden (=doen wat iEmand beloofd heeft)
  17. je woord gestand doen (=doen wat iEmand beloofd heeft)
  18. in het gevlij komen (=doen wat iEmand graag ziet om in de gunst te komen)
  19. verkikkerd zijn (=dol zijn op iEmand/iets of verliefd zijn op iEmand)
  20. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen gEmakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  21. aan iemands leiband (=door iEmand geleid)
  22. een spaak in het wiel steken (=door iEmands ingrijpen gaat een plan van de ander niet door)
  23. men vangt meer vliegen met honing/stroop dan met azijn (=door vriendelijk te zijn bereik je meer bij iEmand dan met lelijke woorden)
  24. de derde man brengt de spraak aan (=drie hebben gEmakkelijker een gesprek dan twee)
  25. het beestje bij zijn naam noemen (=duidelijk en precies zeggen hoe je over iets of iEmand denkt; precies zeggen hoe iets zit)
  26. de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iEmand niet waardeert)
  27. iemand de les lezen (=duidelijk zeggen dat iEmand iets verkeerds gedaan heeft)
  28. een aangeklede aap (=een bespottelijk iEmand)
  29. paradepaard (=een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iEmand trots op is)
  30. een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=een eens gEmaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  31. een wolf in de schaapskooi. (=een gevaarlijk iEmand die zich als onschuldig voordoet)
  32. een wolf in schaapskleren (=een gevaarlijk iEmand die zich als onschuldig voordoet)
  33. iemand een poets bakken (=een grap met iEmand uithalen)
  34. een nagel aan iemands doodkist (=een groot verdriet of iEmand die een groot verdriet veroorzaakt)
  35. iemand niet kunnen luchten of zien (=een hekel aan iEmand hebben)
  36. droge stokvis (=een houterig iEmand)
  37. een blok aan het been (=een last zijn voor iEmand anders.)
  38. de wind waait uit die hoek (=een mening van iEmand uit een bepaalde groep/partij)
  39. een krakende wagen (=een onzekere zaak - iEmand met een zwakke gezondheid)
  40. op oud ijs vriest het licht (=een oude kwaal komt gEmakkelijk weer boven)
  41. een rijke stinkerd (=een rijk iEmand)
  42. een vette gans bedruipt zichzelf (=een rijk iEmand kan zichzelf redden)
  43. het verkorven hebben (=een slechte beurt gEmaakt hebben bij iEmand)
  44. iemand op zijn vestje spuwen (=een standje geven en ongenoegen over iEmand uiten)
  45. een meid en een aardappel kies je zelf (=een vrouw kun je niet door iEmand anders laten uitkiezen)
  46. een hartje zonder zorg (=een zorgeloos iEmand)
  47. de kost gaat voor de baat uit (=eerst moeten er kosten worden gEmaakt alvorens men er iets aan verdienen kan)
  48. willen weten welk vlees men in de kuip heeft (=eerst willen weten hoe iEmand is)
  49. al voor heter vuren gestaan hebben (=er erger meegEmaakt hebben)
  50. om de vinger winden (=er gEmakkelijk baas over worden)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen