88 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `schi`
- aan het lijf schieten (=haastig aantrekken (kleding))
- achter de wolken schijnt de zon (=alle nare dingen zijn tijdelijk en daarna wordt het beter)
- afwijzend beschikken op (=het verzoek weigeren)
- al zijn patronen verschieten (=alle mogelijkheden uitproberen)
- alle baat helpt zei de schipper, en hij blies in het zeil (=alle beetjes helpen)
- als `t schip zinkt dan zinkt ook de lading (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt)
- als de maan vol is schijnt ze overal (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien)
- als het schip lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
- als paddenstoelen uit de grond schieten (=snel en in grote massa tevoorschijn komen)
- daar komt een schip met zure appels (=daar komt een stevige regenbui aan)
- dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
- dat hangt als een schijthuis boven de gracht (=dat is overduidelijk)
- de duivel schijt altijd op de grootste hoop (=het ongeluk treft meestal degenen die al in moeilijkheden verkeren.)
- de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprijs bij het vogelschieten)
- de mens wikt, maar God beschikt (=de mensen maken allerlei plannen, maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt)
- de ratten verlaten het zinkende schip (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
- de wal keert het schip (=door beperkingen enigerlei niet verder kunnen)
- de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
- de zon niet in het water kunnen zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
- een appeltje met iemand te schillen hebben (=nog een vervelend onderwerp met iemand te bepraten hebben)
- een blinde schiet soms wel eens een kraai. (=zelfs iemand die niet erg bedreven is heeft soms geluk en doet iets goed)
- een bok schieten (=een grote fout begaan of zich lelijk vergissen)
- een dag is nooit zo nat of de zon schijnt altijd wat (=ook bij nare situaties zijn er lichtpuntjes)
- een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
- een kleine aardappel moet je niet schillen (=aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
- een schip op het strand is een baken in zee (=van de fouten die anderen hebben gemaakt kun je zelf veel leren)
- een verschil van dag en nacht. (=een heel groot verschil.)
- er dienen geen twee masten op een schip (=er kan er maar één het bevel voeren)
- er is geen rooi mee te schieten (=je kan er niets mee aanvangen)
- er is maar een grote mast op een schip (=er is er maar één de baas)
- geen twee kapiteins op één schip (=er moet maar één persoon de leiding hebben, anders gaat het niet goed)
- goedschiks of kwaadschiks (=met of tegen de zin)
- het hachje erbij inschieten (=zelf sterven aan de gevolgen van een actie)
- het is niet iedereen gegeven ajuin met droge ogen te schillen (=niet iedereen doet het onaangename met de glimlach)
- het is niet overal zomer waar de zon schijnt. (=schijn bedriegt)
- het schip ingaan (=groot risico nemen, leidend tot verlies)
- het verschil tussen mijn en dijn niet kennen (=stelen)
- het zinkende schip verlaten (=ervandoor gaan als de zaak misgaat)
- hooi als de zon schijnt (=je moet de gelegenheid gebruiken als die zich voordoet)
- hooien als de zon schijnt (=van de gunstige gelegenheid gebruik maken)
- iemand aanschieten (=iemand aanspreken)
- iemand in de ogen schijnen (=iemand hinderen)
- iemand wel kunnen schieten (=zich bijzonder ergeren aan iemand)
- iets in zijn schild voeren (=iets van plan zijn, een geheim hebben, stilzwijgend een plan uitvoeren)
- in de ogen schijnen/steken (=hinderlijk zijn, ergeren)
- in de roos schieten (=het precies goed raden/doen)
- in der minne schikken (=zonder verder geruzie bijleggen)
- in het achterschip geraken (=in zaken achteruit gaan)
- in het zicht van de haven schipbreuk lijden (=op het laatste nippertje nog verliezen)
- in zijn schik zijn (=blij en opgewekt zijn)
107 betekenissen bevatten `schi`
- als het in de kajuit regent ,druipt het in de hut (=als de baas problemen heeft, krijgen ook de ondergeschikten hun deel)
- als het hek van de dam is lopen de varkens in het koren (=als er geen toezicht is springen kinderen of ondergeschikten uit de band)
- als de kat van honk is dansen de muizen op tafel (=als er geen toezicht is, doen de ondergeschikten hun zin)
- wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
- wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
- twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
- de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te worden)
- die haring braadt niet (=dat (meestal geniepige) plannetje schijnt niet te lukken)
- dat gaapt zo wijd als een oven (=dat is hoogst onwaarschijnlijk)
- dat gaapt als een oven (=dat is onwaarschijnlijk)
- de wind eronder hebben (=de ondergeschikten hebben angst)
- de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
- er de wind onder hebben (=de schrik erin hebben zitten bij ondergeschikten)
- tussen die twee was er geen chemie (=die twee mensen hadden te veel karakterverschillen om goed te kunnen samenwerken)
- tegen de muur zetten (=doodschieten)
- het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
- de bout op de kop krijgen. (=een geschil verliezen)
- een slok op een borrel schelen (=een groot verschil maken)
- een verschil van dag en nacht. (=een heel groot verschil.)
- de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprijs bij het vogelschieten)
- tweede viool spelen (=een ondergeschikte rol spelen.)
- een pilaarbijter (=een zeer schijnheilig / hypocriet persoon)
- er voor in de wieg gelegd zijn (=er zeer geschikt voor zijn)
- er voor geknipt zijn (=er zeer geschikt voor zijn)
- vorderen als een luis op een teerton (=erg moeizaam opschieten)
- korte rekeningen maken lange vriendschappen. (=financiële geschillen moet je direct oplossen)
- geen poot aan de grond kunnen krijgen (=geen schijn van kans blijken te hebben)
- als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan (=genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is)
- op goede voet staan met iemand (=goed kunnen opschieten)
- in Rome geweest zijn, maar de Paus gemist hebben (=het belangrijkste laten schieten)
- de haring over de kop varen (=het doel voorbijschieten)
- de breedste riemen worden uit andermans leer gesneden (=het is gemakkelijk met kwistige hand te beschikken over wat een ander toebehoort)
- het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)
- of men van de kat of de kater gebeten wordt (=het maakt geen verschil)
- het zal me worstwezen (=het maakt voor mij geen enkel verschil)
- het is kermis in de hel (=het regent terwijl de zon schijnt)
- een eitje met iemand te pellen hebben (=hetzelfde als: een appeltje met iemand te schillen hebben. Nog iets met iemand moeten oplossen.)
- ieder vist op zijn getij (=iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik)
- iemand doodverven met iets (=iemand bestemd voor een post achten, iemand als de dader van iets afschilderen (doodverf is grondverf)[1])
- iemand de ogen verblinden (=iemand door uiterlijke schijn misleiden)
- iemand vol lood pompen (=iemand genadeloos neerschieten)
- iets achter de hand hebben (=iets ter beschikking hebben voor wanneer het nodig mocht zijn (bv nood))
- in zwang komen / raken (=iets wordt een modeverschijnsel)
- het uitproesten (=in een plotse lachbui schieten)
- het zijn niet al ridders die sporen dragen (=je kunt niet alleen aan iemands uiterlijk afleiden of hij ergens geschikt voor is)
- twist verkwist. (=je schiet niets op met ruzie maken)
- met twee monden praten (=jezelf tegenspreken in verschillende situaties, niet eerlijk zijn)
- op stootgaren liggen (=klaarliggen om in actie te schieten)
- je kaarten op tafel leggen (=laten weten over welke middelen je beschikt om iets gedaan te krijgen)
- omstaan leren (=leren schikken naar de wensen en bevelen van een ander)
Eén dialectgezegde bevat `schi`
- een bind perd kan ter hin schi doen (=rommeltje) (Zeeuws)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen