Spreekwoorden met `du`

Zoek


89 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `du`

  1. acht is meer dan duizend (=voorzichtig zijn is het belangrijkste. (woordspeling: acht=`let op` niet `8`))
  2. ad fundum (=tot op de bodem) (Latijn)
  3. advocaat van de duivel spelen (=een mening geven waar je het zelf niet mee eens bent, maar die je geeft om reacties uit te lokken)
  4. alle duivels uit de hel vloeken (=heftig vloeken)
  5. als de boter duur wordt, leert men het brood droog eten. (=als het niet anders kan, is men ook met minder tevreden.)
  6. als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  7. als men van de duivel spreekt trapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat moment zien)
  8. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  9. bang zijn voor zijn eigen schaduw (=overdreven bang zijn)
  10. beidt Uw tijd, duur Uw uur (=op de toren van de Amsterdamse koopmansbeurs)
  11. bij de duivel te biecht gaan (=bij de vijand om raad gaan)
  12. dat mag de duivel weten (=dat weet ik niet)
  13. de duiten bijten hem (=hij verspilt zijn geld)
  14. de duivel op het kussen binden (=met iedereen raad weten)
  15. de duivel schijt altijd op de grootste hoop (=het ongeluk treft meestal degenen die al in moeilijkheden verkeren.)
  16. de duvelstoejager (=iemand die overal goed in is)
  17. de Hebreeërs bouwden het, maar de Egyptenaren hebben het. (Exodus 1:11-14) (=het vuile werk door anderen opknappen en het resultaat zelf pakken)
  18. de vis wordt duur betaald (=het vergt veel opoffering ( je moet er wat voor over hebben) om te krijgen wat je wilt)
  19. de wereld op zijn duim kunnen draaien (=alles doen wat iemand wil)
  20. door dik en dun (=in goede en slechte tijden / alles overhebben voor iemand)
  21. duizend doden sterven (=enorme angsten uitstaan)
  22. dun door de broek lopen. (=als iets niet mee zal vallen)
  23. dun snijden is het behoud van de worst. (=goed kunnen rondkomen door zuinig te zijn)
  24. dun van leer en dik van smeer (=dunne boterham die dik gesmeerd is)
  25. duren is een mooie stad (=nu is het goed, maar blijft dat zo?)
  26. een aardige stuiver/duit (=een mooi kapitaal)
  27. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  28. een Egyptische duisternis (=een inktzwarte duisternis)
  29. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  30. een kaars voor de duivel branden (=slechte daden goedpraten omdat er je er voordeel uit kan halen)
  31. een stadspraatje duurt maar drie dagen. (=mensen vergeten snel)
  32. eerlijk duurt het langst (=een leugen komt op den duur altijd uit, maar de waarheid blijft altijd waar)
  33. er de vingers voor durven opsteken (=iets durven aanvaarden - zijn verantwoordelijkheid durven opnemen)
  34. fiat justitia et pereat mundus (=het recht moet zegevieren ook al vergaat de wereld) (Latijn)
  35. gebraden duiven vliegen niemand in de mond (=je krijgt niets zomaar (zonder er enige moeite voor te doen))
  36. geduld is een schone zaak (=wie rustig afwacht wordt beloond)
  37. geen duimbreed wijken (=niet toegeven of toegeven aan druk.)
  38. geen licht zonder schaduw (=tussen al het goeie zit altijd ook wel iets minder goeds)
  39. goede raad is duur (=bijna te moeilijk om raad te kunnen geven)
  40. goedkoop is duurkoop (=iets goedkoops kan later kosten veroorzaken, bijvoorbeeld door slechte werking, reparaties of onderhoud)
  41. heeft de duivel `t paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  42. heeft de duivel het paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=ben je eenmaal in de macht van slechte mensen, dan wordt het alleen maar erger)
  43. het dunkt elke uil dat zijn jong een valke is. (=iedereen is trots op zijn kinderen)
  44. het dunnetjes overdoen (=het nog een keertje op dezelfde manier herdoen)
  45. het grootste mirakel duurt maar drie dagen. (=mensen vergeten snel)
  46. het is dun gezaaid (=het is zeldzaam)
  47. het is een dubbeltje op zijn kant (=het is nipt, erg onzeker)
  48. het ligt er duimdik bovenop (=het is overduidelijk)
  49. hoe een dubbeltje rollen kan (=hoe iets een onverwacht verloop kan kennen)
  50. ieder dubbeltje drie keer omdraaien (=zo gehecht zijn aan geld dat men aarzelt bij iedere uitgave)

122 betekenissen bevatten `du`

  1. de morgen doet het werk. (=`s morgens ben je het productiefst)
  2. fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je kwaad op diegene bent)
  3. wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=alles heeft een reden, ook al is die niet altijd even duidelijk)
  4. in het donker zijn alle katten grijs/grauw (=als de situatie niet duidelijk is, zijn de zaken niet goed te beoordelen)
  5. als er één schaap over de dam is, volgen er meer (=als één persoon iets nieuws geprobeerd heeft, durven anderen ook wel)
  6. van leer trekken (=beginnen met vechten, duidelijk laten merken dat iets als vervelend ervaren wordt)
  7. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  8. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. (=bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  9. ze waren fout (=collaborateurs en fascisten gedurende de Tweede Wereldoorlog)
  10. na mij de zondvloed (=dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren)
  11. dat ruikt naar peper (=dat is erg duur)
  12. dat hangt als een schijthuis boven de gracht (=dat is overduidelijk)
  13. dat is een waarheid als een koe (=dat is overduidelijk waar)
  14. dat spreekt boekdelen (=dat is overduidelijk, bijv. `zijn gezicht spreekt boekdelen`)
  15. er geen touw aan vast kunnen knopen (=door de onduidelijkheid niet kunnen begrijpen wat er wordt bedoeld)
  16. het wiel opnieuw uitvinden (=dubbel werk doen)
  17. de oren wassen (=duchtig ervan langs geven, de waarheid zeggen)
  18. jezelf op de borst slaan (=duidelijk aan de omgeving laten weten dat men ergens bijzonder trots op is)
  19. het beestje bij zijn naam noemen (=duidelijk en precies zeggen hoe je over iets of iemand denkt; precies zeggen hoe iets zit)
  20. aan het verstand brengen (=duidelijk maken)
  21. aan de bel trekken (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt)
  22. de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
  23. met een rode letter aangetekend staan (=duidelijk vermeld , zodanig dat het zeker niet vergeten wordt)
  24. iemand de les lezen (=duidelijk zeggen dat iemand iets verkeerds gedaan heeft)
  25. onder de neus wrijven (=duidelijk zeggen wat er van gevonden wordt)
  26. man en paard noemen. (=duidelijke taal spreken)
  27. groen en geel voor de ogen worden (=duizelen en/of erg van schrikken)
  28. dun van leer en dik van smeer (=dunne boterham die dik gesmeerd is)
  29. er peper aan eten (=duur betalen)
  30. in de papieren lopen (=duur uitkomen, veel geld kosten)
  31. is de paus katholiek? (=een antwoord op een vraag waarvan het antwoord overduidelijk `Ja` is)
  32. dat is opgelegd pandoer (=een duidelijke van te voren afgesproken zaak)
  33. een papieren zoldertje (=een dunne ijskorst)
  34. een knorhaan pikken (=een dutje doen)
  35. een uiltje knappen (=een dutje doen (zogenaamd een vlinder vangen))
  36. een Egyptische duisternis (=een inktzwarte duisternis)
  37. de bom is gebarsten (=een langdurige spanning of conflict is tot een uitbarsting gekomen)
  38. de lange weg maakt een moede man (=een langdurige ziekte leidt tot uitputting)
  39. eerlijk duurt het langst (=een leugen komt op den duur altijd uit, maar de waarheid blijft altijd waar)
  40. een achterdeurtje (=een manier om iets te ontduiken)
  41. het is monnikenwerk (=een saaie, harde, langdurige taak)
  42. door de molen halen (=een zeer uitgebreide procedure doen ondergaan)
  43. klare wijn schenken (=eerlijk en duidelijk vertellen hoe de situatie in elkaar steekt)
  44. zolang er leven is, is er hoop (=er is altijd hoop, dus geef nooit op!)
  45. doorgestoken kaart (=er is heel duidelijk iets mis! Hier is getracht om iemand te laten geloven dat er bij toeval iets gebeurt, terwijl het in feite van tevoren gearrangeerd is)
  46. er op zitten zweten (=er moeizaam of langdurig aan werken)
  47. er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)
  48. tijd brengt raad. (=geduldig zijn leidt tot betere beslissingen of oplossingen)
  49. Joost mag het weten (=geen idee hebben (Joost = de duivel))
  50. mooie liedjes duren niet lang (=geluk is van korte duur)

37 dialectgezegden bevatten `du`

  1. Allee, mettez vite vos chandailles, springt oep oven ijzere peerd, en moakt nog nen tour du jardin! (=Trek vlug jullie pulletjes aan, neem jullie fiets en maak nog eens de ronde van de tuin.) (Antwerps)
  2. as du baljuu van Axel (=te laat komen) (Hulsters (NL))
  3. bist du nog waol heulmoal zuuver in de panne? (=denk jij nog wel helder?) (Drents)
  4. de parel van du bommelerwerd (=de parel van de Bommelerwaard) (Rossums)
  5. du bis mich é Sjinaos. (WT) (=Jij bent me een mooie) (Mechels (NL))
  6. du bis nog neet druug ater de oere. (WT) (=Hier kun jij niet over meepraten, want je bent nog te jong) (Mechels (NL))
  7. du bliende du kar leten troken (=de blinde de kar laten trekken) (Zeeuws)
  8. du has de eapel an 't bleune (=Je hebt gaten in je sokken) (Mechels (NL))
  9. du hings mich 't sjaot oet (=je verveelt me) (Sjeeter plat)
  10. du kieks es of-ste ing loes in 'n oer has (=Je kijkt heel bedremmeld) (Mechels (NL))
  11. du kins ging nuút krake mit dieng vot. (WT) (=Je kunt geen ijzer breken met je handen) (Mechels (NL))
  12. du kins mich d'r poekel aaf roetsje (=Je kunt me wat) (Mechels (NL))
  13. du kriegs ein zwart kruutske veur diene kop (=jij liegt) (Venloos)
  14. du mist schèt of vrèt ijs (=De mist geeft of neemt ijs) (Brakels (gld))
  15. du mos dich durg zitte. (WT) (=Je moet doorzetten) (Mechels (NL))
  16. du sjtees mich in d'r hinger (=Je staat me in de weg) (Mechels (NL))
  17. du Waajkus, du Waaikus (=de Weitjes) (Brakels (gld))
  18. dudde gij het of du k' ik het (=Doe jij het of doe ik het) (Bevers)
  19. Ge het driemoal last van du snièuw: es tie komt, es tie leet en es tie goat. (=Je hebt driemaal last van de sneeuw: als ze komt, als ze ligt en als ze gaat) (Brakels (gld))
  20. Gees du mörge mit? (=Ga je morgen mee?) (Limburgs)
  21. Het du neig zier (=Het doet erg zeer) (Bevers)
  22. hij is van du suk gevallu (=hij is flauwgevallen) (Riekevorts)
  23. Ich der Vlaam en du der Naam (=De een krijgt de positieve gevolgen van iets, en de ander de negatieve) (Eys)
  24. klopt as unne zwerrende vinger, du allein nie zo zér (=wanneer iets helemaal goed is.) (Helmonds)
  25. krijg du angs(t) (=Iemand iets toewensen die je niet aardig vindt IV) (Utrechts)
  26. krijg du kippekoors / krijg de pleuris / val in elkaar / stort in elkaar / krijg een hartverzakking / flikkerstraolt dood / stik in je eigen braaksel./zak in elkaar, zak door de stront/val kapot/zak in je graf / donderstraolt in mekaar (=Iemand iets toewensen die je niet aardig vindt III) (Utrechts)
  27. krijg du schijt / val kapot / zak in mekaar / stort in mekaar (=Iemand iets toewensen die je niet aardig vindt II) (Utrechts)
  28. loat du boern moar dessn (=dorsen) (=trek het je niet aan) (Waarschoots)
  29. oan baai du kaantu ernest (=aan beide kanten er naast) (Brakels (gld))
  30. Oanleggu bij du Broajoal (=Aanleggen bij de Braaiaal) (Brakels (gld))
  31. sget tege du muur omhoog man geuk (=Zou u mogelijk tegen de muur omhoog uw behoefte willen doen) (Bredaas)
  32. stak du moord vaant geld (=was heel erg rijk) (Brakels (gld))
  33. Tot in du korsutijd, tot in du peejutijd (=Tot in de kersentijd, tot in de (suiker) bietentijd) (Brakels (gld))
  34. Un kring om du moan dè zal nog wel goan, mer un kring om de zon doar jaanku vraauwu en keinder (keijur) om. (=Een kring om de maan zal nog wel gaan, maar een kring om de zon daar huilen vrouwen en kinderen om.) (Brakels (gld))
  35. wat bis du noe an 't vizubreemen/frikelu/fisternullen? (=wat maak jij nou?) (Kerkraads)
  36. wat has du inne dieke bulles (=wat heb jij een dikke kop) (Sjeeter plat)
  37. Zich vörprietsje. du has dich vörgeprietsjt. (=Voordringen. Jij bent voorgedrongen.) (Mechels (NL))




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen