2133 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `an`
- `s Lands wijs, `s lands eer (=ieder volk is gehecht aan zijn eigen gewoonten, hoewel anderen ze maar raar vinden)
- `t Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest)
- `t Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
- aan alle dingen komt een eind. (=alles verandert)
- aan alle kapelletjes aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
- aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
- aan Bacchus offeren (=te veel alcoholhoudende drank nuttigen)
- aan banden leggen (=de vrijheid beperken)
- aan beurt komen (=aan werk geraken)
- aan de balk schrijven (=nota nemen van iets ongewoons)
- aan de bedelstaf raken (=in een situatie terechtkomen waarin je geen geld of bezittingen meer hebt)
- aan de bel trekken (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt)
- aan de beterende hand zijn (=langzaam genezen, herstellen)
- aan de beterhand (=genezend, herstellend)
- aan de boemel zijn (=fuiven)
- aan de dag leggen (=vertonen)
- aan de degen rijgen (=tot (zwaar) verliezer maken)
- aan de dijk zetten (=ontslaan)
- aan de draai houden (=bezig houden)
- aan de ene voet een schoen, de ander blootvoets (=evenwicht is voornaamst)
- aan de fep zijn (=(overmatig) drinken)
- aan de galg komen (=ter dood veroordeeld worden)
- aan de groene tafel zitten (=bestuurslid zijn)
- aan de grond zitten (=bankroet of totaal uitgeput zijn)
- aan de haak slaan (=te pakken krijgen)
- aan de haal gaan (=ergens mee vandoor gaan)
- aan de hand doen (=bezorgen)
- aan de hand van (=door middel van)
- aan de heidenen overgeleverd (=in zware moeilijkheden - in de macht van mensen zonder scrupules)
- aan de kwakkel zijn (=last hebben van de gezondheid)
- aan de latten hangen (=ermee ophouden - bijna bankroet zijn)
- aan de leiband lopen (=erg volgzaam zijn)
- aan de lopende band (=aan één stuk door; steeds maar weer)
- aan de lus hangen (=recht blijven staan in tram of bus)
- aan de man brengen/helpen (=verkopen)
- aan de middelhand zitten (=niet eerst of laatst moeten spelen)
- aan de orde van de dag zijn (=vaak voorkomen)
- aan de pan blijven hangen/kleven (=zich om bestwil ergens mee bemoeien maar er slecht afkomen)
- aan de pan gelikt hebben (=slecht terechtkomen of veel schade hebben)
- aan de pimpel zijn (=sterkedrank drinken)
- aan de rand van het graf staan (=bijna dood zijn)
- aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
- aan de rem trekken (=een ontwikkeling proberen tegen te houden/ waarschuwen dat iets niet goed gaat)
- aan de scharrel zijn (=verkeren zonder verloofd of getrouwd te zijn)
- aan de schors blijven hangen (=iemand of iets alleen op het uiterlijk beoordelen)
- aan de slag gaan (=beginnen te werken, starten)
- aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
- aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
- aan de Turken overgeleverd zijn (=slecht behandeld, bedrogen, mishandeld worden)
- aan de veren kent men de vogel (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
2469 betekenissen bevatten `an`
- distels trekken is distels stekken (=`maar distels laten staan, is distels laten vergaan`)
- distels maaien is distels zaaien (=`maar distels laten staan, is distels laten vergaan`)
- distels breken is distels kweken (=`maar distels laten staan, is distels laten vergaan`)
- de vaan van de opstand planten (=`n opstand verwekken)
- in de as leggen (=(doen) afbranden)
- de oude mens afleggen (=(en de nieuwe aantrekken) een nieuw leven beginnen - beterschap beloven)
- benen maken (=(haastig) weggaan)
- naar iemands pijpen dansen (=(onderdanig) alles doen wat iemand vraagt)
- op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt)
- haarscherp (=(van een afbeelding) getrouw tot in fijne details)
- het smelt als boter in de mond (=(van eten) het is erg mals)
- het zwaard aangorden (=(zich klaarmaken om) de strijd aan (te) binden)
- het licht zien (=1: begrijpen wat men daarvoor nog niet begreep 2: geboren worden, ontstaan)
- er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan (=aan alles komt een einde)
- wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
- op kop staan (=aan de leiding staan)
- op het kussen helpen (=aan de macht helpen)
- op het kussen zitten (=aan de macht zijn)
- aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
- aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
- de handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
- in hetzelfde gasthuis ziek liggen (=aan dezelfde kwaal lijden)
- voor de ganzen preken (=aan dovemans oren zeggen)
- as is verbrande turf (=aan een belofte (as = als) heb je niets)
- aan de lopende band (=aan één stuk door; steeds maar weer)
- tegen de klippen op gaan (=aan een stuk doorgaan (met liegen))
- lapsus memoriae (=aan het geheugen ontsnapt)
- op het sleeptouw houden (=aan het lijntje houden)
- op tui houden (=aan het lijntje houden)
- aan de veren kent men de vogel (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
- de kap maakt de monnik niet (=aan het uiterlijke kan men het innerlijke niet beoordelen)
- bakkerskinderen eten oud brood. (=aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
- in het getouw (=aan het werk)
- in het gareel spannen (=aan het werk zetten)
- over de drempel komen (=aan huis komen)
- van de daken schreeuwen (=aan iedereen luid kenbaar maken)
- niet in iemands schaduw kunnen staan (=aan iemand absoluut niet kunnen tippen)
- je hart uitstorten (=aan iemand alles (in vertrouwen) vertellen)
- fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je kwaad op diegene bent)
- bij iemand in het krijt staan (=aan iemand iets schuldig zijn)
- iemands maat niet kunnen halen (=aan iemand niet kunnen tippen)
- bij iemand nog wel kunnen schoolgaan (=aan iemand nog een voorbeeld kunnen nemen)
- plat op de buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
- het land aan iets hebben (=aan iets een hekel hebben)
- een kleine aardappel moet je niet schillen (=aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
- van een mooi bord kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je niets)
- naar zijn hielen omzien (=aan vluchten denken)
- aan beurt komen (=aan werk geraken)
- ruw laten stikken (=aan zijn lot overlaten)
- in zijn eigen vet gaar koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
50 dialectgezegden bevatten `an`
- (jammer) weet je wat a zonde is:beuter an je had en drohen broe-ad eten (=spijtig) (Zeeuws)
- `Daor eur ik joe, `zee dove Jouk, en toen leup er een muus mit de klompen an over de zolder. (=Oost-Indisch doof) (Giethoorns)
- 'En brief an de keuning skraive. (=Een tukje doen.) (Zaans)
- 'j est an zijne rekkere (=hij is niet meer te redden) (Knesselaars)
- 'j ét tzeel an (=niet meer te redden) (Knesselaars)
- 'k aa 't an mijn kluoten (=iets toch moeten doen) (Eekloos)
- 'k gao op 'n huus an (=ik ga naar huis) (Sallands)
- 'k ken oe wa, 'k pak oe an (=ik ken jou wel, ik zal je een lesje leren) (twents)
- 'k plak nen an de muur (=ik sla hem dood ( (verbaal woedend) ) (Waregems)
- 'k rij ne keer toe an terp (=ik ga op café) (Oosteekloos)
- 'k voag're mijn gat an (=ik weiger om daar nog iets voor te doen) (Waregems)
- 'kbin an de scheit (=ik heb diaree) (Doornspijks)
- 'n dood peerd an 'n poal vaastbiend'n (=te voorzichtig leven) (Westerkwartiers)
- 'n kiend koopn mè nen plastroeng an (=moeilijke bevalling) (Brugs)
- 't 'n e geeën beetren an (=hij / zij blijft op het slechte pad) (Waregems)
- 't an de katte geevn (=Er de brui aan geven) (Veurns)
- 't ân de lat laote schrieve (=Op de pof kopen) (Genneps)
- 't an ze pietj' en (=de sigaar zijn) (Veurns)
- 't e (s) fris an de vis, 't e killig (=het is frisjes buiten) (Waregems)
- 't ê fris an de vis en koel an de spoel (=Het is fris vandaag) (Kortrijks)
- 't e mollejoeng'n an 't spugen (=wolkbreuk) (Wevelgems)
- 't eetn vol frieë in de smoake, 'k soe mij ov'reetn moar 'k maage nie, 'k zoe d'r min lipp'n an oflekk'n (=het eten is zeer lekker) (Waregems)
- 'T en eet 'r ginne lap an (=Het is niet te vergelijk) (Harelbeeks)
- 't es an 't friezn, reeënen, snieën... (=het is nu aan het vriezen, regenen, sneeuwen...) (Waregems)
- 't es an 't zjèver'n (=het is aan het motregenen) (Wevelgems)
- 'T es te dunne vwur an de kiekens te geev'n (=Het is flauwe zever) (Harelbeeks)
- 't gijt piano an (=het gaat heel rustig aan) (Westerkwartiers)
- 't Goa a nie an (=Het zijn uw zaken niet) (Zelzaats)
- 't hing an 'n zied'n droadje (=het was kantjeboord) (Westerkwartiers)
- 't huus is netjes an kaant (=het huis is netjes op orde) (Westerkwartiers)
- 't is an Sisen nie bestid (=dat is niets voor Fransis) (Veurns)
- 't Is butter an de galleg 'esmeerd; 't Is de moeriaan eskuurd. (=Er wordt toch niet naar geluisterd; het is vergeefse moeite.) (Zaans)
- 't Is e kaf an m'n ieëln (='t Valt me niet moeilijk) (Veurns)
- 't is fris an de vis (=het is frisjes) (Kaprijks)
- 't is gieën doen an (=het heeft geen zin) (Kaprijks)
- 't is gieën zêën an (=hij luistert niet) (Kaprijks)
- 't Is nie an te verlêêsten (=het is niet bij te houden.) (Zeeuws)
- 't Is niet an 'e gevel te sien, wie't 't huus beweunt (=Je kunt iemand niet op zijn buitenkant beoordelen) (Bildts)
- 't Komt op een dood peerd ok gien steek meer an (=Dat kan er ook nog wel bij) (Zaans)
- 't legt goe an (=de start is beloftevol) (Waregems)
- 't ligt an em (=de oorzaak (reden) ligt bij hem) (Waregems)
- 't lijt altied an 'e scheuvels, nooit an 'e rieder (=wanneer gepland succes uitblijft) (Westerkwartiers)
- 't lijt altied an 'e scheuvels, nooit an 'e scheuvellober (=het verliezen ligt nooit aan de verliezer) (Westerkwartiers)
- 't oed an de rebben (=straffe kost) (Veurns)
- 't oedt an de rebn (='t Is de moeite) (Veurns)
- 't ol an je gat angn (=al je geld aan je kleding besteden) (Veurns)
- 't spek an je beeën hen (=er voor opdraaien) (Veurns)
- 't un trekt nievurs ip, dat 'n trekt ip niet (s), da gelijk (t) nievers an (=het gelijkt nergens op) (Waregems)
- 't vier an zijn schéenn legn (=hem moeilijk maken) (Knesselaars)
- 't Zal an je gatje nie snêêuwen (=Dat gaat daarom niet door) (Zeeuws)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen