Opzoeken:




hebben

werkw.
Uitspraak:  [ˈhɛbə(n)]
Verbuigingen:  had (verl.tijd enkelv.) Toon alle vervoegingen

bezitten of beschikken over
Voorbeelden:  `een mooi gebit hebben`,
`de Nederlandse nationaliteit hebben`,
`morgen tijd hebben om naar de film te gaan`
terug hebben van  (wisselgeld kunnen terugbetalen) `Het kost € 3,50. Heeft u terug van 50 euro?`
veel van iets of iemand hebben  (erg op iemand of iets lijken) `Hij heeft veel van zijn vader.`
iets hebben tegen  (iets vervelend vinden aan (iets of iemand)) `Ik vind mijn collega niet zo aardig. Ik heb iets tegen hem, maar weet niet goed wat.`
iets met iemand hebben  (een relatie met iemand hebben) `Volgens mij hebben die twee iets met elkaar.`
iets aan (iets of iemand) hebben  (profijt hebben van (iets of iemand)) `Dat is een goede publicatie. Daar heb ik wel wat aan voor mijn onderzoek.`
het over iets hebben  ((met iemand) over iets praten) `Over de schade moeten we het nog maar eens hebben.`
het niet zo/erg hebben op  (niet zo/erg gesteld zijn op (iets of iemand)) `Ik heb het niet zo op poezen.`
niet willen hebben  (niet willen dat (iets) gebeurt) `Ik wil niet hebben dat je er zo slordig bij loopt.`
kunnen hebben  ((iets) kunnen verdragen) `Ik kan dat lawaai wel hebben.`

Bovenstaande informatie is afkomstig van Kernerman Dictionaries meer info
Onderstaande informatie is samengesteld uit diverse bronnen. Herhalingen en/of tegenstellingen kunnen het gevolg zijn.

Spelling
Correct gespeld: 'hebben' komt voor in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie en in de spellingwoordenlijst van OpenTaal.

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn weerga niet hebben (=ongeëvenaard zijn)
• zijn schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven werken)
• zijn schaapjes geschoren hebben (=van zijn rente kunnen leven)
• zijn ogen in zijn zak hebben (=zelfs het meest opzichtige niet zien)
• zijn meester gevonden hebben (=iemand gevonden hebben die beter is, het beter doet)
Toon alle 347 spreekwoorden die hebben bevatten

Taaladvies
  1. Hebben / zijn: (Hij is / heeft binnen kunnen komen) Is het Hij is met moeite binnen kunnen komen of Hij heeft met moeite binnen kunnen komen?
  2. Jan of Piet hebben / heeft dat gedaan: Wat is correct: Jan of Piet hebben dat gedaan of Jan of Piet heeft dat gedaan?
  3. Openhouden / houden / hebben: (een winkel -) Is een winkel openhouden in de betekenis van 'een winkel houden' correct?


Deze woorden eindigen op hebben:
beethebbenbijhebbendoorhebbeninhebbenliefhebbenmeehebbenophebbenoverhebbenplaatshebbenvasthebbenvoorhebbenweghebben

Synoniemen
beschikken over bezitten gehoord hebben lijden pakken

6 definities op Encyclo
1) Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] , [hulpwerkwoord] [onregelmatig] (ik had, gehad), bezitten; ik...
2) [onregelmatig werkwoord]• dat het van iemand is vb:wij hebben een rode auto • je hele hebben en houden [al je ...
3) erop hebben: ik heb het er goed op gehad: ik heb goed gemikt ...
4) • [auxl] gebruikt voor de vorming van de voltooide tijden. • [ov] (rechtmatig of wederrechtelijk) bezitten. • [ov]...
5) bezitten, houden bevatten, inhouden...
Toon uitgebreidere definities

Tips en mededelingen
Tip: Dubbelklik op elk willekeurig woord om verder te zoeken. (kan ook vanaf uw eigen website)

Woordenboek

dag pragmatisch adequaat

Spreekwoorden

kat klok heilig boter

Vertalen



Encyclopedie


Recente zoekopdrachten

Tussen haakjes staat de lengte van de omschrijving
hebben (7497)
sranan (840)
kroon (7163)
chagrijnig (3574)
rausa (637)
paard (9447)
paard (9447)
organisatie (5829)
organisatie (5829)
koe (7253)
mond snoeren (882)
koe (7253)
de dato (579)
pariteite (628)
leggi (762)

Uit cache
© Woorden.org MMXI | Over woorden.org | Gebruikersvoorwaarden | Woord begint met...