147 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `oen`
- aan de ene voet een schoen, de ander blootvoets (=evenwicht is voornaamst)
- aan de groene tafel zitten (=bestuurslid zijn)
- aan de hand doen (=bezorgen)
- aan kant doen (=opruimen)
- al doende leert men (=door iets vaak te doen, leert men hoe het moet.)
- alle heilige huisjes aandoen (=alle cafés onderweg bezoeken)
- alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
- appelen/knollen voor citroenen verkopen (=oplichten, bedriegen)
- appels voor citroenen verkopen (=iemand oplichten.)
- buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
- daar wringt de schoen (=weten waar het probleem zit)
- dat zal je de dood niet aandoen (=iets is niet zo erg is als het lijkt)
- de dampen aandoen (=pesten)
- de das omdoen (=iets dat problemen geeft)
- de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
- de handschoen opnemen (=het gevecht aangaan)
- de haren ten berge (doen) rijzen (=ergens erg van (doen) schrikken)
- de lever doen schudden (=doen schaterlachen)
- de manchetten aandoen (=boeien aandoen)
- de moed in de schoenen doen zinken (=wanhopig worden en de moed verliezen)
- de nieuwe mens aandoen (=zijn gewoonten en zeden verbeteren)
- de paternosters aandoen (=boeien aandoen)
- de stoute schoenen aantrekken (=iets doen wat moed vergt. (`stout` in de oude betekenis van `dapper`))
- de stoute schoenen aantrekken. (=een uitdaging aangaan)
- de strop om de hals doen (=iemand in uiterste problemen brengen)
- de tafel eer aandoen (=goed en veel eten)
- de voorsten doen wat de achtersten niet mogen (=wie eerst komt is in het voordeel)
- denken met kousen en schoenen in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
- denkt aleer gij doende zijt en doende denkt dan nog. (Guido Gezelle) (=maak een plan alvorens ergens aan te beginnen, en stel tijdens de activiteit het plan bij indien nodig)
- dik doen (=opscheppen)
- doen alsof je neus bloedt (=doen alsof je van niets weet)
- doen is een ding. (=praten of plannen maken is gemakkelijk gedaan, daadwerkelijk actie ondernemen is veel moeilijker)
- een blind paard zou er geen schade doen (=een armoedig interieur)
- een dronkemansgebed doen (=het geld natellen (als het zo goed als op is))
- een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
- een goed woord voor iemand doen (=iemand bij een ander aanbevelen)
- een groene Kerstmis een witte Pasen. (=als Kerst warm is wordt Pasen koud)
- een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
- een Keulse reis doen (=heel lang wegblijven)
- een kind kan de was doen (=het gaat heel makkelijk)
- een knuppel in het hoenderhok gooien (=opschudding veroorzaken)
- een loodje in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren)
- een oude bok lust nog wel een jong/groen blaadje (=een oude man is nog wel seksueel geïnteresseerd in een jong meisje)
- een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
- een reef in het zeil doen (=besnoeien in de uitgaven, bezuinigen)
- een tien met een griffel en een zoen van de juffrouw (=in de volksmond: De beste beloning voor een 19e eeuws schoolkind)
- een tukje doen (=een kort middagslaapje)
- een vlek op het blazoen (=een smet op de reputatie.)
- er een gooi naar doen (=een kans wagen of iets proberen te raden)
- er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)
290 betekenissen bevatten `oen`
- in de as leggen (=(doen) afbranden)
- naar iemands pijpen dansen (=(onderdanig) alles doen wat iemand vraagt)
- een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
- iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
- je snor drukken (=afwezig blijven / zijn werk niet doen)
- je vergalopperen (=al te snel iets willen doen)
- in de kiem smoren (=al van bij het begin doen stoppen)
- kromme sprongen maken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
- de wereld op zijn duim kunnen draaien (=alles doen wat iemand wil)
- zo vrij als een vogeltje in de lucht (=alles kunnen doen en laten wat iemand wil)
- alles malletje naar malletje doen/maken (=alles steeds weer op precies dezelfde manier doen)
- een oude rot in het vak (zijn) (=alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen)
- als de herder dwaalt dolen de schapen (=als de leider het verkeerd doet weten de mensen die hem volgen niet wat ze doen moeten)
- als de kat van honk is dansen de muizen op tafel (=als er geen toezicht is, doen de ondergeschikten hun zin)
- als honden konden bidden zou het kluiven regenen (=als is een niet ter zake doende opmerking)
- wie scheep is moet varen (=als je ergens aan begonnen bent moet je er mee voortdoen)
- mejen kan geen paard al lopende beslaan. (=als je het werk goed wil doen, moet je er de tijd voor nemen)
- uitstel is geen afstel (=als je iets uitstelt wil dat nog niet zeggen dat je het nooit meer gaat doen)
- een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
- semper virens (=altijd groen)
- om kaneelwater lopen (=beuzelwerk doen - van het kastje naar de muur gestuurd worden)
- doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. (=blijf vooral normaal doen)
- de paternosters aandoen (=boeien aandoen)
- de manchetten aandoen (=boeien aandoen)
- elk zijn meug, zei de boer en hij at paardenkeutels in plaats van vijgen. (=boeren zijn koppige mensen die hun eigen zin doen)
- dat kan het paard niet trekken. (=daar heb ik onvoldoende geld voor)
- dat kan al het water van de zee niet afwassen (=daar is niets aan te doen - dat kan je niet wegpraten)
- de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
- alle zeilen bijzetten (=de uiterste best doen om iets toch te bereiken)
- je schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven werken)
- zwijgen en denken zal niemand krenken. (=denk na voor je iets zegt wat pijn kan doen)
- een harde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doen)
- moet is een bitter kruid. (=dingen die men moet doen kunnen onaangenaam of vervelend zijn.)
- schijn bedriegt (=dingen zijn niet altijd zoals ze zich voordoen)
- de tijd vliet snel gebruik hem wel (=doe wat je moet doen, terwijl je nog kan)
- de kop in het zand steken (=doen alsof er geen gevaar dreigt en er niets aan doen)
- Oost-Indisch doof zijn (=doen alsof er niets gehoord wordt)
- iemand links laten liggen (=doen alsof iemand er niet is, niet bemoeien met iemand)
- je kop in het zand steken (=doen alsof iets (een probleem) er niet is)
- je ogen voor iets sluiten (=doen alsof iets er niet is)
- een hoge toon aanslaan (=doen alsof je het voor het zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
- zwoerd achter je oren hebben. (=doen alsof je iets niet hoort.)
- doen alsof je neus bloedt (=doen alsof je van niets weet)
- je handen in onschuld wassen (=doen alsof men geen schuld heeft)
- je van de domme houden (=doen alsof men van niets weet)
- uit de lucht komen vallen (=doen alsof men van niets weet / erg plotseling en onverwacht)
- het rijk alleen hebben (=doen en laten wat je wil)
- de bezem uitsteken (=doen en laten wat men wil als de baas of leidinggevende er niet is)
- de ogen openen (=doen inzien)
- onder het oog brengen (=doen opmerken)
29 dialectgezegden bevatten `oen`
- 't es katte oen gèubelle (=het regent hard) (Hals)
- Ben ie op oen achterheufd evallen (=Ben jij gek) (Hoogeveens)
- broekoarig oen (=broedse kip (of erg dweperige dame) ) (Zeeuws)
- Daane kan er e pansjken oen hange (=Die kan zeveren) (Hals)
- Doet oen dink (=Doe je ding) (Hoogeveens)
- ei èèt zen oer gekamd oen de grille van 't park (=kammen) (Hals)
- ei jeit tspek oen zaan kluute of oen z'n biene (=hij is de pineut) (Brussels)
- emand een uur oen noen (=iemand iets wijs make) (Hals)
- en naa oen aa! (=Wat heb je daar tegen in te brengen?) (Brussels)
- Gaot oen gaank (=Ga je gang) (Hoogeveens)
- ge moet joen mulle oen hi (=ge moet zwijgen gij) (Werviks)
- hae hèt gene naogel mei vër oën zen K te krabbe (=de timmerman legt er het bijltje bij neer) (Munsterbilzen - Minsters)
- het kraud was oên de diêr èn (=het onkruid groeit er praktisch aan de voordeur in) (Munsterbilzen - Minsters)
- Hol oen kop (=Hou je stil) (Hoogeveens)
- Ie hebt oen zakies goed veur mekare. (=Jij hebt je zaakjes goed voor elkaar.) (Sallands)
- ie liekt persies op oen vaa (=jij lijkt precies op je vader) (Sallands)
- ij iet de pijp oen den ette gegeive (=gestorven) (Lembeeks)
- je liekend wè een broesiek oen (=je ziet er beroerd uit) (Zeeuws)
- nao den oen gon ich nog en urke knikke (=na het middagmaal ga ik nog een hazenslaapje doen) (Munsterbilzen - Minsters)
- ne kuil ou uu'e oen (=Een hoop oude hoge hoeden) (Deinzes)
- oen (d) s die basn bietn nie (=blaffende honden bijten niet) (Veurns)
- oên de pin lekke (=het onderspit delven, verliezen) (Munsterbilzen - Minsters)
- Op oen balg kriegen (=Op je donder krijgen) (Hoogeveens)
- péimel (=een mot mè-j-è karnavalkostum oën) (Dendermonds)
- réide (=is attait te vinne aster op oën komt) (Dendermonds)
- Waat ‘n votlaok (=Wat een oen) (Roggels)
- Waor hej oen verstaand (=Waar heb je je verstand) (Hoogeveens)
- Wat een dofferd (=Wat een oen) (Hoogeveens)
- zwarte schole oen (zwarte school houden) (=schunnige moppen tappen) (West-Vlaams)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen