Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


28 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kant`

  1. aan een goed kantoor (=op de juiste plaats)
  2. aan een verkeerd kantoor (=op de verkeerde plaats)
  3. aan het verkeerde kantoor zijn (=iemand die je niet kan helpen)
  4. aan kant doen (=opruimen)
  5. dat raakt kant noch wal (=dat is geen zinnig argument.)
  6. de boel aan kant doen/maken (=opruimen)
  7. de kantjes er van aflopen (=zijn best niet doen)
  8. de liefde kan niet van één kant komen. (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  9. een dubbeltje op zijn kant (=iets dat maar op het nippertje goed gaat)
  10. een mes dat van twee kanten snijdt (=een zaak met voor- en nadelen)
  11. er de kantjes aflopen (=erg oppervlakkig blijven)
  12. haring in het land, dokter aan de kant (=haring eten is zeer gezond; haring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
  13. het glaasje op zijn kant zetten (=het glas uitdrinken)
  14. het gras aan de andere kant van de heuvel is altijd groener. (=men denkt dat anderen geen problemen hebben)
  15. het gras aan de overkant is altijd groener (=ontevreden zijn.)
  16. het is een dubbeltje op zijn kant (=het is nipt, erg onzeker)
  17. het mes snijdt aan twee kanten. (=het levert dubbel voordeel op. (NL) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE))
  18. het vaatje op zijn kant zetten (=het vat leegmaken (uitdrinken))
  19. iemand het vierkante gat wijzen (=iemand de deur wijzen, wegsturen)
  20. iemand van kant maken (=iemand doden)
  21. iets over z'n kant laten gaan (=ergens niets van aantrekken)
  22. iets over zijn kant laten gaan (=iets aan zich laten gebeuren, zich van iets niet aantrekken)
  23. kant noch wal raken (=totale onzin zijn)
  24. kantje boord (=op het nippertje)
  25. men moet van zijn kantje blijven (=men mag hem niet aanraken, hij is niet aanspreekbaar)
  26. van de kant zijn (=gestart zijn)
  27. zich van kant maken (=zelfmoord plegen)
  28. zijn kaars aan twee kanten branden (=zijn krachten of mogelijkheden al te vroeg verspillen)

11 betekenissen bevatten `kant`

  1. dat sluit als een haspel in een zak (=dat raakt kant noch wal)
  2. zijn achilleshiel zijn (=de zwakke kant/plek van iemand zijn)
  3. de vijl erover laten gaan (=er de scherpe kantjes van afhalen)
  4. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  5. met de rug tegen de muur staan (=geen kant op kunnen, hooguit een laatste uitweg)
  6. het kan vriezen en het kan dooien. (=het kan alle kanten uit gaan)
  7. het huilen staat hem nader dan het lachen (=hij ziet er vooral de trieste kant van)
  8. elke medaille heeft een keerzijde. (=iets van twee kanten bekijken, aan iedere zaak zitten twee kanten, vaak een positieve en minder positieve kant)
  9. uit alle hoeken en gaten (=van alle kanten)
  10. van heinde en verre (=van alle kanten, vanuit alle landen)
  11. een roze bril op hebben. (=verliefd op iemand zijn en hierdoor zijn/haar mindere kanten niet zien.)

Het dialectenwoordenboek kent 75 spreekwoorden met `kant`

  1. Sittards: van den eine kantj...van den angere kantj (=van de ene kant... van de andere kant)
  2. Lekkerkerks: wikkertie wak (=kantje boord (Bijna))
  3. Alfus: tis op se reet af (=het is kantje boord)
  4. IJmuidens: een kantje pikken (=langs de haven wandelen)
  5. Liwwadders: Boxumerdam om, de kantelannen om (=een rondje fietsen)
  6. Brakels: van die kant'n (=van die streek)
  7. Westerkwartiers: 't mes snit an twee kant'n (=hij verdient aan alle kanten)
  8. Munsterbilzen - Minsters: de kantenier, iës Vanheusde van Miëseme, en ternoë Gus Stas van on de staose èn Minster, onderhoele de waeg en de slaute van Minster, zaumèr èn hun ééntsje opte viloo mètten sjoep enne bessem...en twor ammel goed onderhaage (=de respektievelijke kantoniers, Vanheusden van Meershoven en Guust Stas van Munster, onderhielden de straten en grachten van Munster zomaar in hun ééntje, met schop en bezem op de fiets...en het was netter dan nu.)
  9. Flakkees: kantje levantje (=alles is aan klaar)
  10. IJmuidens: ff kantje pikken (=langs de haven lopen/wandelen)
  11. Betuws: An beiese kante dernève (=Ernaast zitten)
  12. Waregems: in iemands zakk'n zitt'n (=iemands slechte kanten bespreken)
  13. Bilzers: van de kante van... (=uit de omgeving van...)
  14. Westerkwartiers: dat maag niet onner kantoortied (=dat mag niet in de baas z'n tijn)
  15. Bilzers: doë mankiert get aon (=dat klopt van geen kanten)
  16. Zeeuws: mien er stè op stuukn (=mijn haar staat alle kanten op)
  17. Munsterbilzen - Minsters: van geen kante (=van nergens)
  18. Munsterbilzen - Minsters: nau kanter zen matte oprolle (=nu is zijn liedje uitgezongen)
  19. Munsterbilzen - Minsters: da kanter bij mich heilegans nie én (=dat versta ik nu eens helemaal niet !)
  20. Westerkwartiers: dat ken 'e toets deurstoan (=dat klopt van alle kanten)
  21. Graauws: hij draait als een keutel in een pispot (=hij draait alle kanten uit)
  22. Willebroeks: nost geene kant (=aan de andere kant)
  23. Hals: Aa èè zèè keiske al twiê kante opgebrand (=Hij heeft goed geleefd)
  24. Gents: ke langs gien kante goesteinge (=ik heb helemaal geen zin)
  25. Weerts: Weemjt deut, dae kantj gebuuëre (='t Overkomt alleen degene die iets uitvoert)
  26. Bilzers: da klop van geen kante (=dat is niet juist)
  27. Vlijtingens: dat klop van gein kante (=dat is helemaal verkeerd)
  28. Munsterbilzen - Minsters: da snaajt on twei kante (='t is hoe je het beziet)
  29. Westerkwartiers: 't ken vriez'n, 't ken dooi'n (=het kan nog alle kanten opgaan)
  30. Westerkwartiers: dat lopt kris kras deur 'n anner (=dat loopt van alle kanten uit doorelkaar)
  31. Westerkwartiers: da's 'n heul rekboar begrip (=die uitleg kun je alle kanten mee uit)
  32. Westerkwartiers: scheve ding'n pizz'n ook (=ook slechtere kwaliteit heeft zijn goede kanten)
  33. Sittards: Dat is ónger de vuit oet (=Dat is aan de kant)
  34. Heerlens: à gen zie-j (=aan de kant)
  35. Rijsoords: We mon gunop (=Die kant moeten we op)
  36. Eersels: kom us hersop (=Kom eens deze kant op)
  37. Horster: án de gunne kânt (=aan de andere kant)
  38. Heerlens: à geen zie-j (=aan de andere kant)
  39. Giessendams: zo de wind waait, waait mijn vesie (=hij/zij kun je alle kanten mee op)
  40. Zeeuws: Mien er stè op stuukn (=Mijn (hoofd-)haar staat alle kanten op)
  41. Hulsters (NL): da klopt van ghin kânt(en) (=dat raakt kant noch wal)
  42. Achterhoeks: Waar oe (=Pas op, ga aan de kant)
  43. Westerkwartiers: dat leek naarg'nswoar op (=dat klopte van geen kant)
  44. Sint-Niklaas: van de weirk kijken (=naar de andere kant opkijken)
  45. Giethoorns: Op 't kantoor zitten (=Op de wc zitten)
  46. Westerkwartiers: zij zat ien 'n keurslief (=zij kon geen kant op)
  47. Heldens: Ich zoot doa! (=Ga 'ns aan de kant: ik zat daar!)
  48. Waregems: ge zij gij nie goe zeeëre! (=wat je zegt, raakt kant noch wal (protesterend))
  49. Munsterbilzen - Minsters: de sjaune authange (=zich van zen goede kant laten zien)
  50. Tilburgs: die fiets was beheurlek keduuk, de spêeke staake swirskaante öt de wiele. (=die fiets was nogal defect, de spaken staken aan twee kanten uit de wielen.)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen