Zoek spreekwoorden met het woord:




26 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `brek`


1) bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
2) de ontbrekende schakel (=iets dat nog mist om iets compleet te maken)
3) de ouderdom komt met gebreken. (=als je ouder wordt ga je vanalles mankeren)
4) de staf over iets/iemand breken (=iets/iemand afkeuren)
5) een fles de nek breken (=uitdrinken)
6) een lans breken voor (=het opnemen voor)
7) een lans breken voor iemand (=het voor iemand opnemen, voor iemand de best doen diegene ergens mee te helpen iets te verkrijgen)
8) een potje kunnen breken (bij iemand) (=iemand wordt niet gauw boos)
9) elke gek heeft zijn gebrek. (=er valt op iedereen wel iets aan te merken)
10) ergens een potje kunnen breken (=ergens graag gezien zijn)
11) het ijs breken (=een gesprek op gang brengen)
12) hij kan een potje bij hen breken. (=van hem wordt veel getolereerd.)
13) iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
14) ijzer met handen breken (=het onmogelijke doen)
15) in gebreke blijven (=zijn taak (belofte) niet uitvoeren)
16) in gebreke stellen (=officieel stellen dat de taak niet naar behoren is uitgevoerd)
17) in gebreke zijn (=de taak niet naar behoren uitgevoerd hebben)
18) je kan geen omelet maken zonder eieren te breken. (=om iets te bereiken moet je kosten maken of moeite doen)
19) kunnen maken en breken (=er veel macht over hebben)
20) men kan geen ijzer met handen breken (=men kan het onmogelijke niet doen)
21) men kan geen omelet maken zonder eieren te breken. (=soms moet men iets verliezen om een hoger doel te bereiken.)
22) met iemand breken (=met iemand niet meer verder werken, leven)
23) op het appel ontbreken (=niet aanwezig zijn)
24) ouderdom komt met gebreken. (=letterlijk)
25) zich het hoofd breken over iets. (=trachten een antwoord te vinden op een moeilijke vraag.)
26) zuur opbreken (=ergens mee in moeilijkheden komen (later))

19 betekenissen bevatten `brek`


1) het tafellaken doorsnijden (=alle bindingen met iemand verbreken)
2) bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
3) liefde is blind. (=door verliefdheid de gebreken van een ander niet zien)
4) een muur van onbegrip. (=een hardnekkig gebrek aan begrip.)
5) als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt. (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
6) als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond. (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
7) wel de splinter in het oog van de ander zien, maar niet de balk in het eigen oog. (Mattheüs 7:3-5) (=iemand anders wel bekritiseren, maar eigen gebreken niet opmerken.)
8) soldaat maken (=iets aanbreken en volledig op maken)
9) iets over het hoofd zien (=iets vergeten of ontbreken)
10) in mora (=in gebreke)
11) ruiten tikken (=inbreken)
12) met horten en stoten (=langzaamaan, met veel onderbrekingen)
13) men moet geen struif om een ei bederven (=men moet het geheel niet afkeuren voor één gebrek)
14) geen vlees zonder been (=niets zonder gebreken)
15) in de rede vallen (=onderbreken , het woord ontnemen)
16) met blindheid geslagen zijn (=verblind zijn, volkomen gebrek hebben aan inzicht.)
17) de kap op de tuin werpen (=zijn priester- of kloostergelofte verbreken)
18) de kap over de haag smijten (=zijn priester- of kloostergelofte verbreken)
19) een lelijke pijp roken (=zuur opbreken)

Het dialectenwoordenboek kent 37 spreekwoorden met `brek`


1) Westerkwartiers: 't ies is brook'n (=breken - het ijs is gebroken)
2) Rijssens: a't aj brek zu'j s zeen wo steenkn (=als die opzet mislukt komt er wat los)
3) Hulsters (NL): Al op un ouwejaorsavend, toen sloogh dun bakker zun waif, al mee un ete knuppel de velle van eur laif, ut waif dat wou nie soreke, de knuppel, die wouw nie breken, de knuppen, die brek ut waif, da sprak, o, wa rara dingen zain dat. wa zullewe dun bak (=liedje met Oudjaar)
4) Giethoorns: an olde uzen en an olde wieven valt altied wat an op te knappen (=Er komt aan beiden gebrek)
5) Budels: as de as brékt vilt de kaar (=het een volgt op het ander)
6) Zurriks: As, as….as de as brekt vilt de kèr (=had ik dat maar gedaan of als ik dit of dat had gedaan…)
7) Twents: At n hemmel vaalt brekt alle boonnstökke (=als iemand zich onnodig zorgen maakt)
8) leefdaals: brekken een brek (kind dat ...) (=op straat spelen en zich vuil maken)
9) Oudenbosch: daoreetie z n eige vor motte uitkleeje (=daar is hij zelf gebrek door gaan lijden)
10) Bilzers: dat moês nog t'ron mankiëre (=dat moest er nog aan ontbreken)
11) Munsterbilzen - Minsters: de wiës zelf nie wit(ter) dër aander zwat te maoke (=je wordt er zelf niet beter van door anderen af te breken)
12) Brugs: e blutsekakkertje (=met veel gebreken geboren)
13) Sint-Niklaas: een ei klutsen (=een ei breken en in een kommetje roeren)
14) Westerkwartiers: elke gek het zien gebrek (=aan iedereen mankeert wel wat)
15) Westerkwartiers: elke gek het zien gebrek (=iedereen heeft wel wat)
16) Ninoofs: Ge kentj z'in twiejen breken (=Die is mager)
17) Liedekerks: Gen zetj ie be de Dookes ne he (=Je moet het proper houden (Dookes: familie die gekend was voor gebrek aan hygiëne))
18) Munsterbilzen - Minsters: ielke gek hèt ze gebrek (=aan iedereen mankeert wel wat)
19) Sint-Niklaas: iets talvendeur doen (=iets in twee gelijke stukken uiteendoen (breken); iets in twee stukken snijden)
20) Twents: int gat houwn (=Iets afbreken (gebouw))
21) Westerkwartiers: langzoam an, den brekt 't liendje niet (=niet overhaast te werk gaan)
22) Munsterbilzen - Minsters: men hat blit as ich zien dat ze men haus platgoeje (=ik vindt het triest dat ze mijn huis afbreken)
23) Achterhoeks: noa een oavund brekken en zoepen ,kuj mooi op de proeme kroepen (=na een gezellige avond lekker vrijen)
24) Munsterbilzen - Minsters: noëvenant datter makkementëg ès, worter altijd ollëg (=alhoewel hij gebrekkig is, was hij toch altijd bezig)
25) Westerkwartiers: nood brekt wet (=in noodgevallen gelden de wetten niet)
26) Westerkwartiers: nou brekt mij de klomp (=nu sta ik paf)
27) West-Vlaams: Nouw brek mien de klump. (=Nou breekt mij de klomp.)
28) Twents: oe kan geen omelette bak'n zonder het ei te brek'n (=je kan geen omelet bakken zonder het ei te breken)
29) Bilzers: t kleed iëver de haog goeje (=de kloostergeloften verbreken)
30) westvlaams: t'is een bjele (=een afbreking van het toekomstig huwelijk)
31) Sint-Niklaas: talvendeur doen (=in twee delen (breken))
32) Kortemarks: tis ne schièève lavabo (=hij is gebrekkig)
33) Mestreechs: uh pötsje kinne breke (=hij kan geen kwaad doen)
34) Mestreechs: un ezelke sjiet geld höbbe (=aan geld geen gebrek)
35) Veurns: van è sooërte tekort komm'n (=geldgebrek hebben)
36) Bilzers: zen kniëk braeke (=zijn botten breken)
37) Waregems: zinne noak drin sloan (=ongewenst tussenkomen, zich moeien, iemand onderbreken)

Bron
De spreekwoorden en gezegden zijn voor het grootste deel afgeleid van Wikiquote: Nederlandstalige spreekwoorden, Nederlandstalige gezegden en Wikipedia: Lijst van Nederlandse spreekwoorden. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Tips en mededelingen
Tip: Dubbelklik op elk willekeurig woord om spreekwoorden, uitdrukkingen en gezegden met dat woord te tonen

Woordenboek

dag pragmatisch adequaat

Spreekwoorden

kat klok heilig boter

Vertalen



Encyclopedie


Recente zoekopdrachten

Tussen haakjes staat het aantal gevonden spreekwoorden, uitdrukkingen en gezegden
brek (26)
kapot (1)
iemand een worst voorhouden (1)
toot (10)
onder de plak zitten (1)
schoenen (24)
geen slapende honden wakker maken (2)
boven (34)
voor de voe (4)
Op het hart drukken (1)
kip (13)
verkeren (2)
staart (12)
XP (1)
Chr (46)
© Woorden.org MMXI | Over woorden.org | Gebruikersvoorwaarden | Woord begint met...