12 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Genoeg`
- doe maar gewoon, dan doe je al gek Genoeg. (=blijf vooral normaal doen)
- een kruisje is Genoeg voor een boterham uit het vuistje (=voor een gewone broodmaaltijd moet niet te veel gebeden worden)
- elk heeft Genoeg in eigen tuin te wieden. (=bekritiseer geen anderen als je zelf niet perfect bent)
- elke dag heeft Genoeg aan zijn eigen kwaad (=men moet zich niet zorgen maken over de toekomst)
- geen zorgen voor morgen, elke dag heeft Genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
- Genoeg ligt op het kerkhof. (=sommige mensen hebben nooit genoeg)
- Genoeg voor een heel weeshuis. (=als je ergens heel veel van hebt)
- lang Genoeg in de kreupelstraat gewoond hebben (=lang genoeg in de problemen gezeten hebben)
- mans Genoeg zijn (=het wel alleen afkunnen)
- menig heeft te veel, niemand heeft Genoeg. (=sommige mensen hebben nooit genoeg)
- met alle soorten van Genoegen (=heel graag)
- schoon Genoeg hebben van (=meer dan genoeg hebben van, een hekel hebben aan)
42 betekenissen bevatten `Genoeg`
- komt tijd komt raad (=als er Genoeg tijd overheen gaat, komt de oplossing vanzelf)
- geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn Genoeg om je zorgen over te maken)
- het zit eraan bij hem/haar (=diegene kan het betalen, er is Genoeg)
- een ei is geen ei twee ei is een half ei drie ei is een paasei (=één is niet Genoeg, twee is beter, drie is goed)
- iemand op zijn vestje spuwen (=een standje geven en onGenoegen over iemand uiten)
- een bonte kraai maakt nog geen winter (=één voorbeeld is niet Genoeg om een definitief besluit te nemen)
- er zijn buik van vol hebben (=er Genoeg van hebben)
- het kan er niet af (=er is niet Genoeg geld voor)
- er kan nog een kabeljauw onderdoor (=er is ruimte Genoeg (brug, speling))
- de lucht hangt nog vol dagen. (=er is tijd Genoeg)
- er wel pap van lusten (=er niet Genoeg van kunnen krijgen)
- het de keel uithangen (=ergens Genoeg van hebben)
- je bekomst ergens van hebben (=ergens Genoeg van hebben)
- het hoofd boven water houden (=financieel rondkomen, juist Genoeg geld hebben om te kunnen leven)
- je eindje wel kunnen halen (=Genoeg (geld) hebben tot aan zijn dood)
- je koetjes op het droge hebben (=Genoeg (geld) hebben voor de rest van het leven)
- het zat zijn (=Genoeg ergens van hebben en er geen zin meer in hebben)
- ruim zijn aandeel in `s werelds lief en leed gehad hebben (=Genoeg geluk en tegenslagen gekend hebben)
- in goede dorpen zijn/geraken (=Genoeg verdiend hebben om niet meer te hoeven werken)
- als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan (=Genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is)
- een kort liedje is gauw gezongen (=het onaangename gaat snel Genoeg voorbij)
- een volle buik peinst op geen lege. (=iemand die Genoeg te eten heeft is niet bezig is met de zorgen van een ander)
- menen ligt dicht bij Kortrijk (maar verre van Waregem) (=iets menen is niet Genoeg; je moet er zeker van zijn.)
- het zit me tot hier (=ik heb er Genoeg van)
- lang genoeg in de kreupelstraat gewoond hebben (=lang Genoeg in de problemen gezeten hebben)
- er in zwemmen (=meer dan Genoeg hebben)
- schoon genoeg hebben van (=meer dan Genoeg hebben van, een hekel hebben aan)
- voor het opscheppen hebben (=meer dan Genoeg hebben, zonder er iets voor te moeten doen)
- onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw Genoeg voor de kost)
- een veer (moeten) laten (=met minder Genoegen moeten nemen)
- eieren voor je geld kiezen (=met minder Genoegen nemen dan men eerder wilde)
- niet in tel zijn (=niet belangrijk Genoeg zijn of genegeerd worden door anderen)
- tekortkomen (=niet Genoeg (kunnen) doen)
- tekortdoen (=niet goed verzorgen, niet Genoeg geven)
- uilen naar Athene brengen. (=onzinnig werk (er zijn al wijzen=uilen Genoeg in Athene))
- lekker is maar één vinger lang (=oppervlakkige Genoegens geven ook maar een betrekkelijke voldoening. / leuke dingen duren meestal maar erg kort)
- tot de jaren des onderscheids komen (=oud Genoeg zijn om zelf te weten/mogen wat wel en niet mag)
- menig heeft te veel, niemand heeft genoeg. (=sommige mensen hebben nooit Genoeg)
- genoeg ligt op het kerkhof. (=sommige mensen hebben nooit Genoeg)
- een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing Genoeg)
- voor de bui binnen zijn (=voordat het slechter wordt Genoeg verdiend hebben)
- liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet Genoeg om te eten)
50 dialectgezegden bevatten `Genoeg`
- `zot zôo zuut zat zèèn` (=zou het zo zoet Genoeg zijn) (Tilburgs)
- 'k ben d'r zat van (=ik heb er Genoeg van) (Westerkwartiers)
- 'k ben zat! (=ik heb Genoeg gegeten!) (Westerkwartiers)
- 'K eedre myn'n beuk van vul (=Ik heb er Genoeg van) (Harelbeeks)
- 'k èn dur min bekomst van (=het is Genoeg geweest) (Sint-Niklaas)
- 'k heb d'r nou mien nucht van!! (=ik heb er nu Genoeg van!!) (Westerkwartiers)
- 'k hère Genoeg van (=Ik heb er Genoeg van.) (Brakels)
- 'k Zen 't zat! (=Ik heb er Genoeg van!) (Essens)
- 'Keedre myn'n beuk van vul (=Ik heb er Genoeg van) (Harelbeeks)
- 'n koew en 'n zog hebbe noit genog (=over iemand die nooit Genoeg heeft) (Astens)
- 't es mae verdroten (=ik heb er Genoeg van) (Wichels)
- 't es mae verdroten / verlieëd (=nu is het Genoeg) (Wichels)
- 't es mae verlieëd (=ik heb er Genoeg van) (Wichels)
- 't es tit tat 't ut es (=Er Genoeg van hebben) (West-Vlaams)
- 'T hangt ie vierkant men kloeëtn oëit (=Nu is het Genoeg) (Liedekerks)
- 't hé wel gewist (='t Is Genoeg geweest) (Bevers)
- 't Hoeft niet bai 't laif vol. (=Genoeg is Genoeg. (eten)) (Zaans)
- 't is gien opmoakersbende (=nu heb je wel Genoeg) (Westerkwartiers)
- 't is mooi west veur vandoag (='t is Genoeg voor vandaag) (Westerkwartiers)
- 't ken d'r mit deur (='t is net goed Genoeg) (Westerkwartiers)
- 't laeven ès waajne piemel, heil hél mér nauts nie lank Genoeg (=niemand is vlug content met zichzelf) (Munsterbilzen - Minsters)
- 't Moe neuj hedoan zin. (='t Is Genoeg geweest.) (Zwevegems)
- 't za wel aw nekieër beginn schikt, zekere (=het is Genoeg geweest) (Kaprijks)
- 't zad aw nekieër schieëdn zekers (='t is al Genoeg geweest) (Kaprijks)
- 't zadd'aw schiehn (=het is Genoeg geweest) (Eekloos)
- 'Tang dikke myn klwutt'n eut (=Ik heb er Genoeg van) (Harelbeeks)
- ' k bënne beskid (=ik weet Genoeg) (Menens)
- ' k het zat gehad (=Ik heb Genoeg op) (Veens)
- ' t steekt oes teeg' n / ' t es oes verleeëd / ' t zit oes tot ier (=we hebben er Genoeg van) (Waregems)
- aa iet er zaain bekomste van (=hij heeft er Genoeg van) (tervurens)
- Alle moders zeen bliej es hun kindj op tied en lang genóg slieëptj. (=Alle moeders zijn blij wanneer hun kind op tijd en lang Genoeg slaapt.) (Kinroois)
- alleen zene mond goeng wijd Genoeg oëpe (=de valschermspringer viel uit de lucht) (Munsterbilzen - Minsters)
- Amplojeit zou veul Franse woude ni, de Vlomse langosje es abbondant Genoeg (=Gebruik zo veel Franse woorden niet, de vlaamse taal is rijk Genoeg) (Brussels)
- As ge 't dees op et zèede mor vier uur'n van Gent nie mieër (=Aan deze maaltijd zul je wel Genoeg hebben) (Wichels)
- as Genoeg nog te weineg ès, ès niks nog goed Genoeg (=wees tevreden met wat je hebt en jaag niet op dingen die je niet hebt) (Munsterbilzen - Minsters)
- astë wils dat ët miëlëke blif draeë, moeste zërge dattër Genoeg wènd ès (=als je wil dat je goed kan leven, moet je zorgen voor inkomsten) (Munsterbilzen - Minsters)
- aste zon sjaajnt kump iedereen baute, mér assët raengert zieste niemes mei (=supporters Genoeg als het goed gaat met de ploeg, maar je ziet of hoort niemand meer als het minder goed gaat) (Munsterbilzen - Minsters)
- Aven dieg is goe Genoeg moar ave speculoas duegt nie (=Je ideeën zijn goed maar de uitvoering trekt op niets) (Herentals)
- bansjeiters hübbe nie tekot (=we hebben Genoeg bangerikken) (Bilzers)
- ben zat (=ik heb Genoeg gegeten) (Hogelandsters)
- Ben zat (=Ik heb Genoeg gegeten) (Gronings)
- Brandt er nog licht (=Heeft u nog Genoeg geld) (Monnickendams)
- d'r benn'n zat hapkes en sapkes (=hapjes en drankjes zijn er Genoeg) (Westerkwartiers)
- D' n ha.ls nie vol kunnen kriege (=Niet Genoeg kunnen krijgen) (Genneps)
- d' r benn' n veul die te veul hemm' n, moar gienéén het genog (=Genoeg is meer dan veel) (Westerkwartiers)
- d' r jilles nit vol jenóg krieje (=de buik niet vol Genoeg kunnen krijgen) (Kerkraads)
- da frit gee braud (=tijd Genoeg) (Bilzers)
- da ienk mich men kloeëte-n aat (S*) (=ik heb er Genoeg van) (Sintrùins)
- da kan zannen brooënj nie trekken (=Hij heeft geen geld Genoeg daarvoor) (Ninoofs)
- da kump mich mën stroêt aut (=ik heb er Genoeg van !) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen