Spreekwoorden met `Genoeg`

Zoek

12 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Genoeg`

  1. doe maar gewoon, dan doe je al gek Genoeg. (=blijf vooral normaal doen)
  2. een kruisje is Genoeg voor een boterham uit het vuistje (=voor een gewone broodmaaltijd moet niet te veel gebeden worden)
  3. elk heeft Genoeg in eigen tuin te wieden. (=bekritiseer geen anderen als je zelf niet perfect bent)
  4. elke dag heeft Genoeg aan zijn eigen kwaad (=men moet zich niet zorgen maken over de toekomst)
  5. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft Genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  6. Genoeg ligt op het kerkhof. (=sommige mensen hebben nooit genoeg)
  7. Genoeg voor een heel weeshuis. (=als je ergens heel veel van hebt)
  8. lang Genoeg in de kreupelstraat gewoond hebben (=lang genoeg in de problemen gezeten hebben)
  9. mans Genoeg zijn (=het wel alleen afkunnen)
  10. menig heeft te veel, niemand heeft Genoeg. (=sommige mensen hebben nooit genoeg)
  11. met alle soorten van Genoegen (=heel graag)
  12. schoon Genoeg hebben van (=meer dan genoeg hebben van, een hekel hebben aan)

42 betekenissen bevatten `Genoeg`

  1. komt tijd komt raad (=als er Genoeg tijd overheen gaat, komt de oplossing vanzelf)
  2. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn Genoeg om je zorgen over te maken)
  3. het zit eraan bij hem/haar (=diegene kan het betalen, er is Genoeg)
  4. een ei is geen ei twee ei is een half ei drie ei is een paasei (=één is niet Genoeg, twee is beter, drie is goed)
  5. iemand op zijn vestje spuwen (=een standje geven en onGenoegen over iemand uiten)
  6. een bonte kraai maakt nog geen winter (=één voorbeeld is niet Genoeg om een definitief besluit te nemen)
  7. er zijn buik van vol hebben (=er Genoeg van hebben)
  8. het kan er niet af (=er is niet Genoeg geld voor)
  9. er kan nog een kabeljauw onderdoor (=er is ruimte Genoeg (brug, speling))
  10. de lucht hangt nog vol dagen. (=er is tijd Genoeg)
  11. er wel pap van lusten (=er niet Genoeg van kunnen krijgen)
  12. het de keel uithangen (=ergens Genoeg van hebben)
  13. je bekomst ergens van hebben (=ergens Genoeg van hebben)
  14. het hoofd boven water houden (=financieel rondkomen, juist Genoeg geld hebben om te kunnen leven)
  15. je eindje wel kunnen halen (=Genoeg (geld) hebben tot aan zijn dood)
  16. je koetjes op het droge hebben (=Genoeg (geld) hebben voor de rest van het leven)
  17. het zat zijn (=Genoeg ergens van hebben en er geen zin meer in hebben)
  18. ruim zijn aandeel in `s werelds lief en leed gehad hebben (=Genoeg geluk en tegenslagen gekend hebben)
  19. in goede dorpen zijn/geraken (=Genoeg verdiend hebben om niet meer te hoeven werken)
  20. als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan (=Genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is)
  21. een kort liedje is gauw gezongen (=het onaangename gaat snel Genoeg voorbij)
  22. een volle buik peinst op geen lege. (=iemand die Genoeg te eten heeft is niet bezig is met de zorgen van een ander)
  23. menen ligt dicht bij Kortrijk (maar verre van Waregem) (=iets menen is niet Genoeg; je moet er zeker van zijn.)
  24. het zit me tot hier (=ik heb er Genoeg van)
  25. lang genoeg in de kreupelstraat gewoond hebben (=lang Genoeg in de problemen gezeten hebben)
  26. er in zwemmen (=meer dan Genoeg hebben)
  27. schoon genoeg hebben van (=meer dan Genoeg hebben van, een hekel hebben aan)
  28. voor het opscheppen hebben (=meer dan Genoeg hebben, zonder er iets voor te moeten doen)
  29. onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw Genoeg voor de kost)
  30. een veer (moeten) laten (=met minder Genoegen moeten nemen)
  31. eieren voor je geld kiezen (=met minder Genoegen nemen dan men eerder wilde)
  32. niet in tel zijn (=niet belangrijk Genoeg zijn of genegeerd worden door anderen)
  33. tekortkomen (=niet Genoeg (kunnen) doen)
  34. tekortdoen (=niet goed verzorgen, niet Genoeg geven)
  35. uilen naar Athene brengen. (=onzinnig werk (er zijn al wijzen=uilen Genoeg in Athene))
  36. lekker is maar één vinger lang (=oppervlakkige Genoegens geven ook maar een betrekkelijke voldoening. / leuke dingen duren meestal maar erg kort)
  37. tot de jaren des onderscheids komen (=oud Genoeg zijn om zelf te weten/mogen wat wel en niet mag)
  38. menig heeft te veel, niemand heeft genoeg. (=sommige mensen hebben nooit Genoeg)
  39. genoeg ligt op het kerkhof. (=sommige mensen hebben nooit Genoeg)
  40. een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing Genoeg)
  41. voor de bui binnen zijn (=voordat het slechter wordt Genoeg verdiend hebben)
  42. liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet Genoeg om te eten)

50 dialectgezegden bevatten `Genoeg`

  1. `zot zôo zuut zat zèèn` (=zou het zo zoet Genoeg zijn) (Tilburgs)
  2. 'k ben d'r zat van (=ik heb er Genoeg van) (Westerkwartiers)
  3. 'k ben zat! (=ik heb Genoeg gegeten!) (Westerkwartiers)
  4. 'K eedre myn'n beuk van vul (=Ik heb er Genoeg van) (Harelbeeks)
  5. 'k èn dur min bekomst van (=het is Genoeg geweest) (Sint-Niklaas)
  6. 'k heb d'r nou mien nucht van!! (=ik heb er nu Genoeg van!!) (Westerkwartiers)
  7. 'k hère Genoeg van (=Ik heb er Genoeg van.) (Brakels)
  8. 'k Zen 't zat! (=Ik heb er Genoeg van!) (Essens)
  9. 'Keedre myn'n beuk van vul (=Ik heb er Genoeg van) (Harelbeeks)
  10. 'n koew en 'n zog hebbe noit genog (=over iemand die nooit Genoeg heeft) (Astens)
  11. 't es mae verdroten (=ik heb er Genoeg van) (Wichels)
  12. 't es mae verdroten / verlieëd (=nu is het Genoeg) (Wichels)
  13. 't es mae verlieëd (=ik heb er Genoeg van) (Wichels)
  14. 't es tit tat 't ut es (=Er Genoeg van hebben) (West-Vlaams)
  15. 'T hangt ie vierkant men kloeëtn oëit (=Nu is het Genoeg) (Liedekerks)
  16. 't hé wel gewist (='t Is Genoeg geweest) (Bevers)
  17. 't Hoeft niet bai 't laif vol. (=Genoeg is Genoeg. (eten)) (Zaans)
  18. 't is gien opmoakersbende (=nu heb je wel Genoeg) (Westerkwartiers)
  19. 't is mooi west veur vandoag (='t is Genoeg voor vandaag) (Westerkwartiers)
  20. 't ken d'r mit deur (='t is net goed Genoeg) (Westerkwartiers)
  21. 't laeven ès waajne piemel, heil hél mér nauts nie lank Genoeg (=niemand is vlug content met zichzelf) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. 't Moe neuj hedoan zin. (='t Is Genoeg geweest.) (Zwevegems)
  23. 't za wel aw nekieër beginn schikt, zekere (=het is Genoeg geweest) (Kaprijks)
  24. 't zad aw nekieër schieëdn zekers (='t is al Genoeg geweest) (Kaprijks)
  25. 't zadd'aw schiehn (=het is Genoeg geweest) (Eekloos)
  26. 'Tang dikke myn klwutt'n eut (=Ik heb er Genoeg van) (Harelbeeks)
  27. ' k bënne beskid (=ik weet Genoeg) (Menens)
  28. ' k het zat gehad (=Ik heb Genoeg op) (Veens)
  29. ' t steekt oes teeg' n / ' t es oes verleeëd / ' t zit oes tot ier (=we hebben er Genoeg van) (Waregems)
  30. aa iet er zaain bekomste van (=hij heeft er Genoeg van) (tervurens)
  31. Alle moders zeen bliej es hun kindj op tied en lang genóg slieëptj. (=Alle moeders zijn blij wanneer hun kind op tijd en lang Genoeg slaapt.) (Kinroois)
  32. alleen zene mond goeng wijd Genoeg oëpe (=de valschermspringer viel uit de lucht) (Munsterbilzen - Minsters)
  33. Amplojeit zou veul Franse woude ni, de Vlomse langosje es abbondant Genoeg (=Gebruik zo veel Franse woorden niet, de vlaamse taal is rijk Genoeg) (Brussels)
  34. As ge 't dees op et zèede mor vier uur'n van Gent nie mieër (=Aan deze maaltijd zul je wel Genoeg hebben) (Wichels)
  35. as Genoeg nog te weineg ès, ès niks nog goed Genoeg (=wees tevreden met wat je hebt en jaag niet op dingen die je niet hebt) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. astë wils dat ët miëlëke blif draeë, moeste zërge dattër Genoeg wènd ès (=als je wil dat je goed kan leven, moet je zorgen voor inkomsten) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. aste zon sjaajnt kump iedereen baute, mér assët raengert zieste niemes mei (=supporters Genoeg als het goed gaat met de ploeg, maar je ziet of hoort niemand meer als het minder goed gaat) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. Aven dieg is goe Genoeg moar ave speculoas duegt nie (=Je ideeën zijn goed maar de uitvoering trekt op niets) (Herentals)
  39. bansjeiters hübbe nie tekot (=we hebben Genoeg bangerikken) (Bilzers)
  40. ben zat (=ik heb Genoeg gegeten) (Hogelandsters)
  41. Ben zat (=Ik heb Genoeg gegeten) (Gronings)
  42. Brandt er nog licht (=Heeft u nog Genoeg geld) (Monnickendams)
  43. d'r benn'n zat hapkes en sapkes (=hapjes en drankjes zijn er Genoeg) (Westerkwartiers)
  44. D' n ha.ls nie vol kunnen kriege (=Niet Genoeg kunnen krijgen) (Genneps)
  45. d' r benn' n veul die te veul hemm' n, moar gienéén het genog (=Genoeg is meer dan veel) (Westerkwartiers)
  46. d' r jilles nit vol jenóg krieje (=de buik niet vol Genoeg kunnen krijgen) (Kerkraads)
  47. da frit gee braud (=tijd Genoeg) (Bilzers)
  48. da ienk mich men kloeëte-n aat (S*) (=ik heb er Genoeg van) (Sintrùins)
  49. da kan zannen brooënj nie trekken (=Hij heeft geen geld Genoeg daarvoor) (Ninoofs)
  50. da kump mich mën stroêt aut (=ik heb er Genoeg van !) (Munsterbilzen - Minsters)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen