227 betekenissen bevatten `wat`
- het hoofd loopt me om (=niet meer weten wat te doen (bv bij drukte))
- voor de mast zitten (=niet opkunnen wat men op zijn bord heeft)
- een oogje dichtdrukken/toeknijpen/luiken (=niet optreden tegen iets wat eigenlijk niet mag. Iets gedogen)
- met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
- nu komt de aap uit de mouw (=nu blijkt wat werkelijk de bedoeling was)
- geen spek voor de bek (=ongeschikt - iets wat men niet aankan)
- de daad bij het woord voegen (=onmiddellijk doen wat men zegt te zullen doen)
- van zijn stuk raken (=onzeker worden en niet meer weten wat te zeggen)
- bitter in de mond maakt het hart gezond (=ook wat minder aangenaam is, kan gezond of goed zijn)
- weten waar Petrus de sleutel had (=op de hoogte zijn van wat niet iedereen weet)
- iemand door de mosterd halen (=op duidelijke wijze kenbaar maken wat iemand fout gedaan heeft)
- tot de jaren des onderscheids komen (=oud genoeg zijn om zelf te weten/mogen wat wel en niet mag)
- hou ouder, hoe gekker. (=ouderen maken zich minder druk om wat anderen van hen denken)
- het hart op de lippen hebben (=over zijn emoties durven praten - alles zeggen wat men denkt)
- met iemands woorden naar de markt gaan (=overal rondvertellen wat men elders horen zeggen heeft)
- de markt afschuimen (=overal zoeken wat er `te koop` is)
- een lot uit de loterij trekken (=precies de juiste persoon of ding gevonden hebben wat er nodig was)
- in het gareel lopen. (=precies doen wat er gevraagd wordt)
- weten hoe de vork in de steel zit (=precies weten wat er gebeurd is)
- de bui afwachten (=rustig afwachten wat voor onheil er komt)
- aap wat heb je mooie jongen (=sarcastische opmerking over iemand die wat al te trots is op iets)
- naar de kabeljauwskelder (=schip wat gezonken is)
- geef een ezel klaver hij loopt naar de distels/biezen. (=sommige mensen zijn nooit tevreden met wat ze hebben)
- iemand op de vingers kijken (=steeds kijken wat iemand doet, en of die het goed doet)
- de wereld in een doosje hebben (=tevreden en gelukkig zijn met wat iemand heeft)
- uit z`n rol vallen (=tijdens het spelen iets zeggen of doen wat niet bij de rol hoort)
- voor iemand kruipen (=van iemand schrik hebben , slaafs alles doen wat hij vraagt)
- nu breekt mijn klomp (=van verbazing niet meer weten wat te zeggen)
- naai geen zakken met zijde (=verspil geen dingen aan iets wat niet wordt gewaardeerd)
- de dienst uitmaken (=vertellen wat er gebeuren moet)
- aan zijn gerief komen (=vinden wat men nodig heeft (inz. seksuele behoeften))
- wie mooi wil zijn, moet pijn lijden (=voor schoonheid moet je wat over hebben)
- kort door de bocht (=voorbarig, nuanceringen negerend. Voorbeeld: `De bewering dat fractiediscipline de democratie om zeep helpt is misschien wat te kort door de bocht.`)
- waar gehakt wordt, vallen spaanders (=waar werk verricht wordt, worden ook wel wat fouten gemaakt)
- de verloren zoon is terecht (=wat (of wie) al lang verloren was, is teruggevonden)
- waar je u tegen zegt (=wat absoluut de moeite waard is)
- de rollen omkeren (=wat de een normaal doet doet de ander nu en andersom)
- wat heb ik nou aan mijn fiets hangen? (=wat gebeurt er nu voor iets raars?)
- wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen (=wat het belangrijkste is moet het eerste gebeuren)
- wie tot een penning geboren is kan tot geen stuiver komen (=wat het lot voor je in petto heeft kan je niet ontlopen)
- wat ik je brom (=wat ik je zeg!)
- getroffen zijn door (=wat je bijzondere gevoelens geeft, geraakt zijn door)
- zo gewonnen, zo geronnen (=wat je makkelijk hebt gewonnen, kun je ook makkelijk weer kwijt raken)
- wat het oog niet ziet, wat het hart niet deert (=wat je niet ziet en niet weet heb je ook geen last)
- horen zeggen is half gelogen. (=wat je via via hoort is niet altijd waar)
- het beste brood ligt voor het venster. (=wat je ziet is niet per se wat je krijgt)
- mij een zorg (=wat kan mij het schelen!)
- aanzien doet gedenken (=wat men met eigen ogen gezien heeft, is gemakkelijker te onthouden)
- het is beter een andermans hemd dan geen (=wat men niet heeft kan men desnoods nog altijd lenen)
- goed begonnen is half gewonnen (=wat niet aangevangen wordt komt ook nooit af. / Wanneer het begin van iets goed is, is de kans groter dat het goed eindigt)
50 dialectgezegden bevatten `wat`
- astich daaj zene kop ter tësse stik, bèssem kwijt (=wat een boezem, zeg!) (Munsterbilzen - Minsters)
- Attenoje, Attelenoje (=Mijn God, Krijg nou wat (Uitspreken als vorm van verbazing) ) (Amsterdams)
- attët kènd mér stil ès (=laat hem maar wat prutsen) (Munsterbilzen - Minsters)
- attet menen hond wos, hochter dich al gebiëte (=kijk eens wat beter, het ligt voor je voeten!) (Munsterbilzen - Minsters)
- atze dereege mér nie besjit (=wat een verwaand schepsel) (Bilzers)
- au gae, wa zegde mae nau (=wat zeg je me nou) (Wichels)
- autlègge ! (=je kunt het goed uitleggen, doe nu ook eens wat) (Munsterbilzen - Minsters)
- azoeë en soep men skaupen!! / Ja Marie (=wat een gedoe, mensen toch) (Liedekerks)
- azu nen annekiesjnest (=wat een rotzooi) (Giesbaargs)
- Azu nen emmer (=wat een bezitterig persoon) (Hams)
- azuë nen èmmer (=wat een egoïst) (Meers)
- azuu nen omgezonde mins (=wat een vervelend iemand) (Hams)
- ba, wè zèè de gè tòch un ont mènneke (=bah, wat ben jij toch een vervelend kereltje) (Tilburgs)
- baeter hêl bloëze dan zëne mond verbranne (=je spant je beter wat in dan fouten te maken) (Munsterbilzen - Minsters)
- baot ët nie, dan sjaot ët nie (=wat niet baat, niet deert) (Munsterbilzen - Minsters)
- bau deed het paajn, (=wat heb je nu weer aangevangen) (Munsterbilzen - Minsters)
- bau geet dat ménnëke mèt dae surtoe hiën (=die overjas is wat te groot voor zo'n ventje) (Munsterbilzen - Minsters)
- bau ne wil és, ésne waeg (=een vrouw kan je moeiteloos zover krijgen, dat ze ook doet wat ze zelf allang wilde) (Bilzers)
- bau nie gelaach wieëd, doog et nie (=nu en dan moet er wat leven in de brouwerij zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- bau steed zene kop toch mèr! (=denk in het vervolg wat beter na) (Munsterbilzen - Minsters)
- beder 'n luus ien de paan dan hiel'ndaal gien vlees (=wees tevreden met wat je hebt) (Westerkwartiers)
- bekiek het dich mèr tegoej (=denk er maar wat over na) (Munsterbilzen - Minsters)
- belofte moakt schuld (=wat je belooft, moet je waarmaken) (Westerkwartiers)
- Ben in staat waor...... (dat ik . etc) (=Ik kan m wel wat aandoen.) (Utrechts)
- Ben je vereen (=Plagend gebruikt, als iemand vraagt wat er gezegt wordt vragen ze iets anders dat er een beetje op lijkt, bijv. 'ver heen' 'alleen') (Monnickendams)
- ben je wel droog achter je oruh (=wat stel je nou voor) (Westlands)
- bendal wir wa bekomme? (=ben je weer wat opgeknapt?) (Oudenbosch)
- Bende nou helemoal van de pot gerukt (=Iets wat echt niet kan) (Bosch)
- bende vorzien van pòte en òre? (=heb je alles wat je nodig hebt?) (Nieuw-vossemeers)
- bennie al droog achter je orêh? (=wat stel je nou helemaal voor?) (Westlands)
- betieketakt zyn (=drang om iets te doen wat niet mag) (Veurns)
- better wat dan niks, zea de vos, doew vrat hee ne vleege op (=beter iets dan niets) (Twents)
- beuter an je had strieken en drohen broe-ad eten (=wat is zonde) (Zeeuws)
- beuter an je had strieken en droog broead eten (=weet je wat zonde is) (Zeeuws)
- biëvet gon baedele (=wat geld bij elkaar bédelen) (Munsterbilzen - Minsters)
- bij de kappesiene koste biechte bij unne dôove paoter, dè schilde hil wè in de pinnetènsie. (=bij de kapucijnen kon je biechten bij een dove pater, dat scheelde flink wat in de opgelegde penitentie) (Tilburgs)
- bitter vuur d'r monk is vuur 't hats gezonk (=wat bitter smaakt is gezond) (Heerlens)
- blak (s) kaoter jong, wat is dat koud (=man, wat is dat koud zeg) (Putters)
- blijf nog get, dan geeste seffes mèr get vrigger voert! (=je hebt nog wel wat tijd) (Munsterbilzen - Minsters)
- Botter op je kont smeren en dreug brood eten! (=Weet je wat zonde is) (Putters)
- braand dien vingers d'r moar niet aan (=kijk uit wat je doet) (Westerkwartiers)
- Brèèk mie de bek niet lös (=Laat mij niet zeggen wat ik denk) (Zwols)
- bring ès get laeve èn de brauweraaj (=zet eens wat muziek op) (Munsterbilzen - Minsters)
- brojkë reike, kentsjë bijte ( aan het gebakken spek ruiken maar wel een goede hap brood eten !) (=het vlees is duur, eet maar wat meer brood) (Munsterbilzen - Minsters)
- bu' j now helemaol van de pot geruk (=iets doen wat absoluut niet kan) (Achterhoeks)
- d'r benn'n meer ziende mens'n die blind benn'n, as blinde mens'n die niet zien kenn'n (=sommige mensen weten niet wat er in de wereld te koop is) (Westerkwartiers)
- d'r blift nogal wat an zien striekstok hang'n (=hij strijkt veel provisie op) (Westerkwartiers)
- d'r is stront an 'e knikker (=er is wat aan de hand) (Westerkwartiers)
- d'r is wat op til (=er gaat wat gebeuren) (Westerkwartiers)
- d'r is wat ruus op 'e lien (=er is wat onenigheid) (Westerkwartiers)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen