Spreekwoorden met `geld`

Zoek




106 betekenissen bevatten `geld`

  1. aan het eind van zijn akker zijn (=het geld is op)
  2. de lamp hangt scheef (=het geld is op)
  3. pijn in de portemonee hebben (=het geld is op)
  4. een dronkemansgebed doen (=het geld natellen (als het zo goed als op is))
  5. de aap binnen/weg hebben (=het geld ontvangen hebben)
  6. het is geen roofgoed (=het heeft veel geld (of moeite) gekost)
  7. het komt voor de bakker (=het komt in orde; het wordt geregeld)
  8. het ene gat met het andere stoppen (=het slecht beheren van geld door met de ene schuld de andere af te lossen)
  9. het geld brandt hem in de zak (=hij geeft zijn geld graag en gemakkelijk uit)
  10. de duiten bijten hem (=hij verspilt zijn geld)
  11. wat doe je voor de kost? (=hoe verdien je je geld?)
  12. lang vasten is geen brood sparen. (=honger lijden is niet hetzelfde als geld besparen)
  13. wie het breed heeft laat het breed hangen (=iemand die veel geld heeft kan veel geld uitgeven)
  14. iemand bijspijkeren (=iemand met geld of kennis ondersteunen)
  15. iemand een kies trekken (=iemand veel geld afnemen)
  16. in de slappe was (=in de contanten, in het geld)
  17. aan de bedelstaf raken (=in een situatie terechtkomen waarin je geen geld of bezittingen meer hebt)
  18. een doodshemd heeft geen zakken. (=je hebt niets aan je geld als je dood bent)
  19. je bedje is gespreid (=je komt in een situatie terecht waarin alles al voor je geregeld is)
  20. je moet geen goed geld achter slecht geld aangooien (=je moet geen geld besteden aan een zaak die niet meer in stand kan worden gehouden)
  21. verkoop de huid niet voordat de beer geschoten is (=je moet niet geld uitgeven voordat je het hebt verdiend)
  22. op je vet teren (=leven van gespaard geld)
  23. hoe kaler, hoe royaler. (=mensen met minder geld zijn guller dan mensen met veel geld)
  24. hoeren en dieven, met geld zijn zij mijn gelieven (=met geld krijg je vrienden)
  25. voor geld kun je de duivel doen dansen (=met geld kun je alles gedaan krijgen)
  26. armoe op de stal is armoe overal (=met te weinig dieren in de stal kun je geen geld verdienen)
  27. in het wild lopen (=ongeregeld verlopen)
  28. over de balk gooien (=onnodig geld uitgeven voor zaken die niet nodig zijn)
  29. iets in de wacht slepen (=op oneerlijke manier verkrijgen, iets in bezit krijgen voor weinig geld)
  30. de gebraden haan uithangen (=op onverantwoordelijke wijze erg veel geld uitgeven aan met name lekker eten en drinken)
  31. witte paarden hebben veel stro nodig (=pronkzieke vrouwen kosten veel geld)
  32. botje bij botje leggen (=samen geld bijeen leggen om te betalen)
  33. zijn schip voert te grote zeilen (=te veel geld uit geven)
  34. pluk maar veren van een kikvors (=van een arme kan je niet veel geld eisen)
  35. iemand de beurs lichten (=van iemand geld stelen/afhandig maken)
  36. diep in de buidel tasten. (=veel geld aan iets uitgeven.)
  37. ook van de mosterd eten (=veel geld aan iets verliezen)
  38. een kies uittrekken (=veel geld afhandig maken)
  39. goed in de slappe was zitten (=veel geld hebben)
  40. er warmpjes bijzitten (=veel geld hebben, over ruime financiële middelen beschikken)
  41. over de brug komen (=veel geld moeten betalen)
  42. op grote voet leven (=veel geld uitgeven)
  43. slapende rijk worden (=veel geld verdienen zonder er iets voor te moeten doen)
  44. geld baart onrust. (=waar geld is onstaat vaak onenigheid)
  45. geen bokkensprongen kunnen maken (=weinig geld hebben om extra dingen te kunnen kopen)
  46. weinig armslag hebben (=weinig ruimte hebben om uit te breiden of weinig mogelijkheden hebben, meestal in geld uitgedrukt)
  47. lex talionis (=wet van vergelding)
  48. die niets ontbreekt is rijk. (=wie tevreden is heeft geen geld nodig)
  49. wie het lang heeft laat het lang hangen (=wie veel geld heeft, kan ook veel geld uitgeven)
  50. een Poolse landdag (=wilde, ongeregelde vergadering)

50 dialectgezegden bevatten `geld`

  1. aste Minsterkliete van ët zwat geld zooë barstë, dan loepë ze ammël mèttë derm èn hun haan rond (=in Munsterbilzen barst het van het zwart geld) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. Ater 'ne ouwe sjtok is 't good sjoele. (WT) (=Als een meisje een oudere man trouwt met veel geld) (Mechels (NL))
  3. attër kos, zoo tër zën eege jing nog verkope (=voor geld zou hij alles verlappen, als hij kon !) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. attër kos, zoo tër zën eege jing nog verkoppe (=voor geld doet die alles !) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. aw steekn z'er mê nog gewd an toe (=al geven ze me er nog geld bij) (Kaprijks)
  6. Ballen slaan (=In de problemen komen / veel geld verdienen) (Amsterdamse straattaal)
  7. beder stuut ien de puut dan een pluum op de hoed (=beter het geld uitgeven aan eten dan aan mooie kleding) (Westerkwartiers)
  8. Bèèndig Zin.... Mo nog Slichter dan Nen Bèèndegoar ès: Nen Tèès... (=geld sparen) (Kortrijks)
  9. betoale me peeschaave (=geen geld hebben om te betalen) (Bornems)
  10. betole mé wettelskoiven (=geen geld hebben om iets te betalen) (Pamels)
  11. bie em is 't mo geld die telt (=geldbezit is zijn enige betrachting) (Veurns)
  12. biëvet gon baedele (=wat geld bij elkaar bédelen) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. biëvet gon- zakloope (=geld gaan bijhalen) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. Blut zijn . (=Geen geld meer hebben, op zwart zaad zitten) (Utrechts)
  15. Brandt er nog licht (=Heeft u nog genoeg geld) (Monnickendams)
  16. brievezakkies mit duunkruud (=enveloppen met geld) (Texels)
  17. cent'n stink'n niet (=geld is (hoe dan ook) welkom) (Westerkwartiers)
  18. cent'n verzoet 't wark (=geld maakt werken lichter) (Westerkwartiers)
  19. d'er an toelêën (=er geld bij inschieten) (Kaprijks)
  20. d'n dieren tèed inbringen (=te veel geld uitgeven) (Wichels)
  21. d'r blift 'n baarg an 'e striekstok hang'n (=teveel mensen moeten geld krijgen van deze zaak) (Westerkwartiers)
  22. d'r kleingêldj van make (=geld verkwisten) (Weerts)
  23. d'r wer met geld smeet'n (=er werd niet op duizend euro gekeken) (Westerkwartiers)
  24. d’r goed inzitten (=rijk zijn, veel geld hebben) (Meers)
  25. d' r kleingêldj van make (=geld verspillen) (Weerts)
  26. da 's wiggesmeetn geld (=dat is geld in het water gooien) (Waregems)
  27. da kan zannen brooënj nie trekken (=Hij heeft geen geld genoeg daarvoor) (Ninoofs)
  28. da kost klaauwe mee geld (=dat is relatief duur) (Oudenbosch)
  29. da kost ne schrik van geld (=dat is heel duur) (Kortemarks)
  30. da' s d' r nog over van ' n lösbandeg leev' m (=er is nog maar weinig geld overgebleven) (Westerkwartiers)
  31. daaj hult hërre portemënei tèsse hër knieë (=zij zit liever op geld dan op een man) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. daaj moet hél krétse vër rond te koëme (=die moet hard werken en besparen om rond te komen met zijn geld) (Munsterbilzen - Minsters)
  33. Daddis ne geldwolf (=Overdreven drang naar geld) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  34. Daddis ne raaken dog (=Dat is een persoon met veel geld) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  35. daddistureen mee jun gat indur aand (=zij kan niet met geld omgaan) (Oudenbosch)
  36. daddistureen mee mos achter de knieje (=een meisje met geld) (Oudenbosch)
  37. dae geet nog vieël moete blieje (=dat gaat hem nog veel geld kosten) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. dae geuftj wie ein vorse koe (=hij is royaal; hij geeft z’n geld makkelijk weg) (Heitsers)
  39. Dae haet ' t diek (=Hij heeft geld genoeg) (Venloos)
  40. Dae haet knabbe (=die persoon heeft veel geld) (Valkenburgs)
  41. dae haet niks oppe rubbe (=hij is heel mager; hij heeft weinig geld) (Heitsers)
  42. dae haet sjräöm (=hij heeft veel geld) (Heitsers)
  43. dae haet wat aan de veut (=iemand met veel geld en bezit) (Venloos)
  44. dae hèt viël kneep (=die heeft veel geld) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. dae hèt viël poenk (poenkie-poenkie) (=hij heeft veel geld) (Munsterbilzen - Minsters)
  46. dae hèt zieëker n mülkkoe (=waar blijft die al dat geld halen) (Munsterbilzen - Minsters)
  47. dae kan de kis nau al nimei tau hage (=die zit op een massa geld !) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. dae kin ich waaj kaud geld (=hij is nogal berucht) (Munsterbilzen - Minsters)
  49. dae kumpste nie rap traoën (=die zit op zijn geld) (Munsterbilzen - Minsters)
  50. Dae meint geld te verdene met niks doon. (=lui persoon) (Venloos)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen