Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `bang`

  1. bang voor zijn hachje zijn (=weinig durven en bang zijn om gevaar te lopen)
  2. bang zijn voor zijn eigen schaduw (=overdreven bang zijn)
  3. bang zijn zich aan koud water te branden (=erg voorzichtig zijn)
  4. wie bang leeft, gaat ook bang dood (=je gaat zoals je geleefd hebt)

22 betekenissen bevatten `bang`

  1. in de rats zitten (=bang zijn of angst hebben / in de problemen zitten)
  2. op zijn achterste zolder jagen (=beledigen, bang maken)
  3. hazenvlees gegeten hebben (=een bangerik zijn)
  4. je hart vasthouden (=ernstig zorgen maken, bang zijn dat het mis gaat)
  5. in de piepzak zitten (=geen oplossing weten, bang zijn voor de gevolgen)
  6. als de dood zijn voor iets (=heel erg bang zijn voor iets)
  7. hij zit in de naad (=hij is bang)
  8. hij schijt zeven kleuren bagger (=hij is erg bang)
  9. een held op sokken (=iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik)
  10. iemand de stuipen op het lijf jagen (=iemand erg laten schrikken en/of bang maken)
  11. De ene bedelaar ziet de andere niet graag voor de deur staan (=Men is bang voor concurrentie)
  12. Wat de boer niet kent, dat eet hij niet. (=Mensen houden niet van (zijn bang voor) wat ze niet kennen.)
  13. Op de galg schijten (=Nergens bang voor zijn)
  14. geen water te diep zijn (=nergens bang voor zijn, alles durven)
  15. iets aandurven (=niet bang zijn om iets te doen)
  16. voor geen klein geruchtje vervaard (=niet gauw bang)
  17. geen handbreed wijken (=niet opzij gaan, nooit bang is)
  18. bang zijn voor zijn eigen schaduw (=overdreven bang zijn)
  19. zijn tanden laten zien (=tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn)
  20. bang voor zijn hachje zijn (=weinig durven en bang zijn om gevaar te lopen)
  21. een klein hartje hebben (=weinig durven/gauw bang zijn)
  22. Een schurftig paard vreest de roskam. (=Wie wat op z`n geweten heeft, is bang voor het onderzoek)

Het dialectenwoordenboek kent 81 spreekwoorden met `bang`

  1. Zeeuws: bange schieter (=bangerik)
  2. Tongers: das ès èn bangsjiet (=dat is een bangerik)
  3. Bilzers: bansjeiters hübbe nie tekot (=we hebben genoeg bangerikken)
  4. Staphorsts: Veake bee te bange! (=Vaak ben je te bang!)
  5. drents: vake bi'j te bange maangs nie bange genog (=vaak ben je te bang soms niet bang genoeg)
  6. Waregems: skoi zijn van zijn ei(g)n skauwe (=zich bangelijk gedragen)
  7. Twents: vake be'j te bange (=vaak ben je te bang)
  8. Gelaens (Geleens): Doe bès e sjiethoes. (=bangerik.)
  9. Westerkwartiers: ik zal dij de hond aanhiez'n (=ik zal je bangmaken met de hond)
  10. Sallands: Váke beij te bangge (=Leef nu je kan)
  11. Sallands: Mooi dikke en nie bange! (=Dronkenschap:)
  12. Westerkwartiers: wat bist doe 'n bangeschiederd (=wat ben jij een lafaard)
  13. Munsterbilzen - Minsters: de bès ne bèddezeeker (=je bent een bangerik)
  14. Tongers: Hè ès èn bansjiet (=Hij is een bangerik)
  15. Tongers: da's ne shoaphoas (=dat is een bangerik)
  16. Antwerps: azitmèjena. aneptze (=hij is bang)
  17. Westerkwartiers: wat bist ok 'n schiedert (=wat ben jij ook een bangerik !!)
  18. Twents: Den is bange dat hee 'n bek earder verslit as 't gat (=Een zwijgzaam iemand)
  19. Lommels: Bönne frèten (=bang zijn)
  20. Hals: de poeppers emme (=bang zijn)
  21. Eibergs: mooi dikke en neet bang (=nergens bang voor)
  22. West-Vlaams: mit de poepers zitten (=bang zijn)
  23. Munsterbilzen - Minsters: métten ee én zen broek zitte (=bang zijn)
  24. Bilzers: verrèkke van den angs (=erg bang zijn)
  25. Bilzers: verrèkke van den angs (=zeer bang zijn)
  26. Diesters: in zen broek schijte van de schrik (=zeer bang zijn)
  27. Zeeuws: Beter bange Piet dan dôôie Piet (=Je kunt beter voorzichtig dan overmoedig zijn)
  28. Rijssens: den ku'j wal n aj in t gat kokng (=die is vreselijk bang)
  29. West-Vlaams: in z'n broek doen (=bang zijn)
  30. Sint-Niklaas: schoeft zin, mette poepers zitten (=bang zijn)
  31. Lichtervelds: je zit met veugelschyt (=hij is bang)
  32. Waregems: j'es skijteskoij (=hij is heel bang)
  33. Westerkwartiers: 't hemd trilt em veur 't gat (=hij is erg bang)
  34. Veurns: versjchrikt zien in ze kult'n (=heel bang zijn)
  35. Sinttruins: Steif van ontrance (=Heel erg bang)
  36. Waregems: van geeën klientje vervoard zijn (=niet gauw bang zijn)
  37. Oudenbosch: waor kneptiejum vor ? (=waar is hij bang voor ?)
  38. kortemarks: je doe ze toîpe, je zit met de poepers (=hij is bang)
  39. Geffes: Hij sket zeuve kleure stront (=Hij is bang)
  40. brabants: He is vôr d'n duvel nie bang (=Hij is voor de duivel niet bang)
  41. Zeeuws: opassen oor anders kom jan iik je illen (=bang makerij)
  42. Genneps: 't lópt um dun dör deboks (=bang zijn)
  43. Brakels: mee een èj zit'n (=bang zijn)
  44. Veurns: mi èn ei op zitt'n (=bang zijn)
  45. Brugs: met e genepen gatjie zitten (=bang zijn)
  46. Munsterbilzen - Minsters: mètten doaver opze lijf zitte (=bang zijn)
  47. Merenaars: mè de poepers zitten (=bang zijn)
  48. Lovendegems: met de poepers zitten (=bang zijn*)
  49. leuvens: ei eet en eit in ze gat... (=hij is bang)
  50. Oudenbosch: ijee oute pijle / ooi geschete (=hij is erg bang geweest)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen