de zoom

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [zom]
Verbuigingen:  zomen (meerv.)

1) rand aan een stuk stof die is omgeslagen en vastgenaaid
Voorbeelden:  `een brede zoom`,
`een zoom leggen`
de zoom uitleggen  (de zoom kleiner maken waardoor het kledingstuk langer wordt)

2) rand van een bos
Voorbeeld:  `We wonen aan de zoom van het bos.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
boord oever rand

23 definities op Encyclo
  1. omgeslagen en vastgenaaide rand onderaan een kledingstuk vb: de zoom van je jurk hangt eruit! de zoom van het bos [de rand ervan]
  2. 1> boord: aan stromend water grenzend land. 2> land, overzoom: overlappend gedeelte der gangen bij overnaadse bouwwijze. 3> mogelijk: de bovenrand van een open vaartuig. ...
  3. [Nederlands] omgeslagen en vastgenaaide rand van een kledingstuk
  4. 1. Buitenrand, bv. boszoom. 2. De buitenrand van een dakbedekking van metaal.
  5. Omgeslagen deel aan de onderkant van de pijp van een pantalon. Werd soms uitgelegd om de pijpen te verlengen.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met zoom:
zoom inzoomdezoomdenzoomenzoomfunctiezoomlenszoomlenzenzoomobjectiefzoomobjectievenzoomt

Deze woorden eindigen op zoom:
omzoombinnenzoomschildzoom

Herkomst volgens etymologiebank.nl
zoom (boord, buitenrand)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 100% van de Vlamingen het woord `zoom`.