de boord

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [bort]
Verbuigingen:  boord|en (meerv.)

1) kraag van een overhemd of trui
Voorbeeld:  `een strakke boord`

2) zijkant van een boot
aan boord gaan  (in een boot of vliegtuig gaan)
het was kantje boord  (het ging maar net goed)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
halskraag kant kraag oever scheepsdek

Spreekwoorden en zegswijzen
• over boord werpen (=niet langer gebruiken, ervan afzien)
• kantje boord (=op het nippertje)
• geen man over boord zijn (=iets is niet zo erg, het had veel erger gekund)
• door het kluisgat aan boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
• door de kluisgaten aan boord gekomen zijn (=bevelhebber worden na het doorlopen van alle lagere rangen)
Toon alle 6 spreekwoorden die boord bevatten

Taaladvies
  1. (aan - leggen) Is aan boord leggen in de betekenis van `iets aanpakken` correct? Zie Boord
  2. Wat is correct: boordevol of boordenvol? Zie boordevol / boordenvol


Intensiveringen
Hoe kun je met boord een ander begrip versterken?
boordevol;

12 definities op Encyclo
  • •het dek van een schip: "aan boord gaan". •de verbrede bovenrand van een hemd rond de nek: "dat boordje moet nog gesteven".
  • stijve kraag vb: de boord van zijn overhemd is vuil opstaande scheepswand, die boven water zichtbaar is vb: we gingen aan boord van het schip het was kantje boord [op het...
  • [Belgisch Nederlands] rand, berm aan een weg
  • [buurtschap] - Boord is een buurtschap ten westen van Nuenen in de Nederlandse gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Ook werd er het gebied mee aangeduid tussen Nuenen...
  • (scheepsboord, bovenboord, boord) in het algemeen de bovenste rand van het vaartuig, ongeacht of dit een houten of stalen vaartuig is en ongeacht of dit nu potdeksel, dol...
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met boord:
    boordcomputerboordcomputersboorddeboorddenboordeboordenboorderboordtboordwerktuigkundigeboordwerktuigkundigen

    Deze woorden eindigen op boord:
    aangeboordbakboordbuitenboordgeboordgedoorboordoverboordstuurboord

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. boord (rand, zoom)
    2. boord (scheepswand, scheepsdek, schip)