de boord

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [bort]
Verbuigingen:  boord|en (meerv.)

1) kraag van een overhemd of trui
Voorbeeld:  `een strakke boord`

2) zijkant van een boot
aan boord gaan  (in een boot of vliegtuig gaan)
het was kantje boord  (het ging maar net goed)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
halskraag kant kraag oever scheepsdek

Spreekwoorden en zegswijzen
• over boord werpen (=niet langer gebruiken, ervan afzien)
• kantje boord (=op het nippertje)
• geen man over boord zijn (=iets is niet zo erg, het had veel erger gekund)
• door het kluisgat aan boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
• door de kluisgaten aan boord gekomen zijn (=bevelhebber worden na het doorlopen van alle lagere rangen)
Toon alle 6 spreekwoorden die boord bevatten

Taaladvies
Boord: (aan - leggen) Is aan boord leggen in de betekenis van 'iets aanpakken' correct?

Intensiveringen
Hoe kun je met boord een ander begrip versterken?
boordevol;

13 definities op Encyclo
  1. 1> een gang van een houten schip. De term boord gebruikt men meestal voor zeer brede gangen. In Vlaanderen schijnt men te spreken over een boordplank. Vermoedelijk werd d...
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-en), opperste -, bovenste rand; kant, oever, zoom (eener rivier); rand van een schip; tot den - vol; aan - komen, scheep gaan; daa...
  3. VOC - Scheepsbouw : scheepswand tussen kim en reling.
  4. Uit `De lagere vaktalen: Diamantbewerking` 1914 zeer onzuiver diamant, stukjes die fijngestampt worden en dienen tot bewerking van diamant.
  5. Uit `De lagere vaktalen: Timmermanstaal` 1914 winkelplank.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met boord:
boordcomputerboordcomputersboorddeboorddenboordeboordenboorderboordtboordwerktuigkundigeboordwerktuigkundigen

Deze woorden eindigen op boord:
aangeboordbakboordgeboordgedoorboordoverboordstuurboordbuitenboord

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. boord (rand, zoom)
  2. boord (scheepswand, scheepsdek, schip)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `boord`.