zoomen

werkw.
Afbreekpatroon:  ' zoo - men
Herkomst:  «Engels
Vervoegingen:  zoomde (verl.tijd )
Vervoegingen:  gezoomd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

een zoomlens gebruiken fotografie film
Voorbeeld:  `Wil je de achtergrond aanpassen, dan gebruik je je lens voor het zoomen.`
Synoniemen:  inzoomen, uitzoomen

Zie ook:  zoom


4 definities op Encyclo
  • (uit)vergroten
  • 1) Het beeld dichterbij halen
  • bij filmen of fotograferen met een zoomlens het geprojecteerde beeld dichterbij halen (inzoomen) of verderaf brengen (uitzoomen); een zoomlens gebruiken de inhoud van een webpagina, een document e.d. op een beeldscherm vergroten of verkleinen videobellen met het digitale vergaderprogramma Zoom, kort voor Zoom...
  • videobellen met het digitale vergaderprogramma Zoom, kort voor Zoom Meetings; videobellen met de app Zoom
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op zoomen:
inzoomenuitzoomen

Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat is de verleden tijd van zoomen?
De verleden tijd van zoomen is 'zoomde'. Het voltooid deelwoord is 'gezoomd'.
Wat betekent zoomen?
'een zoomlens gebruiken'
Hoe spel je zoomen?
zoomen spel je Z O O M E N

Op andere websites
Zoek zoomen in het Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek zoomen op Google
Zoek zoomen op Woordenlijst.org
Zoek zoomen in de woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek zoomen op Wikipedia