spruiten

werkw.
Uitspraak:  ['sprœytə(n)]
Vervoegingen:  sproot (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  is gesproten (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) (van een plant) uitlopers krijgen
Voorbeeld:  `De plant begint te spruiten.`

2) als nageslacht voortkomen (uit iemand)
Voorbeeld:  `in een stamboom een historische persoon laten spruiten uit een domineesfamilie`
Synoniem:  afstammen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afkomstig zijn afstammen ontluiken ontspruiten scheuten schoten stammen stekken uitbotten uitschieten uitschieten plantkunde voortkomen voortspruiten

4 definities op Encyclo
  1. • [erga] "~ uit": voortkomen of voortvloeien uit.
  2. 1) Afkomstig zijn 2) Afstammen 3) Botten 4) Groente 5) Kinderen 6) Kleine kinderen 7) Landbouwgewas 8) Ontkiemen 9) Ontluiken 10) Ontspruiten 11) Scheuten 12) Schoten 13)...
  3. Uit `De lagere vaktalen: De taal der hopkweekers` 1914 d' hop spruiten: ze bespuiten met een zeker vocht om 't ‘zwart’ te dooden. Zie spruitsel en zwart.
  4. loten vormen Jaar van herkomst: 1285 (CG Rijmb. )
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op spruiten:
bamboespruitenontspruiten

Herkomst volgens etymologiebank.nl
spruiten (loten vormen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `spruiten`.