spannen

werkw.
Uitspraak:  [ˈspɑnə(n)]
Vervoegingen:  spande (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gespannen (volt.deelw.)

1) (van kleren) erg nauw zitten
Voorbeeld:  `Je broek spant op je billen.`

2) (iets) strak trekken
Voorbeelden:  `een snaar spannen`,
`je spieren spannen`

3)
Het spant erom.  (het is erg onzeker of iets net wel goed gaat of net niet)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aantrekken erop aankomen knellen koppels opspannen opwinden strekken uitrekken

Spreekwoorden en zegswijzen
• op gespannen voet (zijn) (=moeilijk met elkaar omgaan, ruzie)
• men moet de snaren niet te sterk spannen (=je moet niet al te streng zijn, niet al te veel eisen)
• in het gareel spannen (=aan het werk zetten)
• het paard achter de wagen spannen (=iets nutteloos doen of verkeerd aanpakken)
• de paarden achter de wagen spannen (=de zaak verkeerd aanpakken)
Toon alle 8 spreekwoorden die spannen bevatten

Taaladvies
Waar komt de uitdrukking dat spant de kroon vandaan en wat wordt ermee bedoeld? Zie De kroon spannen

6 definities op Encyclo
  • Uit `De lagere vaktalen: Taal van kuipers, klompenmakers en kurkensnijders` 1914 in de bank spannen: den kloef, bij middel van binnenspieën en spanhouten in de bank vast...
  • [Mil. Woordenboek, spelling van 1861 ``Spannen``] 1o. Eenen boog S. Zie Boog. 2o. Den haan S. Zie Slot
  • •onder trekkracht brengen. •tweede betekenisomschrijving. •enz.
  • het strak trekken en vastmaken vb: we hebben een lijn tussen de tenten gespannen strak zitten vb: de rok spant om haar billen het spant erom [het is spannend hoe het aflo...
  • strak trekken, vastmaken aan Jaar van herkomst: 1091-1100 (Rey )
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met spannen:
    spannend

    Deze woorden eindigen op spannen:
    aangespannenaanspannenafgespannengespannenhooggespanneningespanneninspannenomspannenontspannenoverspannenpoffertjespannensamengespannensamenspannenuitgespannenuitspannenvierspannenvoorgespannenvoorspannenzijspannen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. spannen (kijken, zien)
    2. spannen (strak trekken, vastmaken aan)