het seizoen

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [sɛiˈzun]
Verbuigingen:  seizoen|en (meerv.)

1) elk van de periodes van drie maanden in een jaar: lente, zomer, herfst, winter
Voorbeeld:  `de vier seizoenen`
Synoniem:  jaargetijde

2) deel van een jaar met een bepaald kenmerk of bepaalde bestemming
Voorbeelden:  `toeristenseizoen`,
`jachtseizoen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
jaargetijde periode

14 definities op Encyclo
  1. Periode, die elk jaar optreedt, waarin de weersgesteldheid specifieke kenmerken vertoont, ten aanzien van temperatuur en neerslag.
  2. elk van de perioden waarin het jaar wordt verdeeld vb: de seizoenen zijn: lente, zomer, herfst, winter Synoniem: jaargetijde periode van het jaar waarin iets wordt gedaan...
  3. Uit `De lagere vaktalen: Taal van post-, telegraaf- en telefoonpersoneel` 1914 seizoen-abonnement.
  4. Belangwekkende klimatologische veranderingen binnen een jaar (winter, zomer) of, in zoölogische betekenis, een periode waarbinnen zich een specifiek gedrag afspeelt, bij...
  5. Seizoen is een periode, die elk jaar optreedt, waarin de weersgesteldheid specifieke kenmerken vertoont, ten aanzien van temperatuur en neerslag. De drukte in een hotel h...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met seizoen:
seizoenarbeiderseizoenarbeidersseizoenenseizoensdrankseizoensdrankenseizoenswerkloosheidseizoenwerker

Deze woorden eindigen op seizoen:
hoogseizoenlaagseizoenregenseizoentoeristenseizoenmoessonseizoenpaarseizoenjachtseizoenverkoopseizoenvisseizoen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
seizoen (jaargetijde)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 100% van de Vlamingen het woord `seizoen`.