• wie in het schuitje zit moet meevaren (=wie ergens mee begonnen is moet dit ook afmaken) • op de lange baan schuiven (=iets uitstellen of vertragen.) • op de hals schuiven (=opzadelen met) • met de nachtschuit vertrekken (=er erg stilletjes vandoor gaan) • met de nachtschuit komen (=laat komen / iets vertellen dat iedereen al weet) Toon alle 16 spreekwoorden die schui bevatten