thuiswerken

werkw.
Uitspraak:  ['tœyswɛrkə(n)]
Vervoegingen:  werkte thuis (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft thuisgewerkt (volt.deelw.)

je werk van thuis uit doen
Voorbeeld:  `twee dagen per week thuiswerken om meer tijd te hebben om voor je kinderen te zorgen`

© Kernerman Dictionaries.