de schuit

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [sxœyt]
Verbuigingen:  schuit|en (meerv.)

simpele platte boot
Voorbeeld:  `modderschuit`
in hetzelfde schuitje zitten  (in een vergelijkbare moeilijke situatie zijn)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bark boot bootje hulk pink scheepje schip schoen schuitje stoomschip vaartuig

Spreekwoorden en zegswijzen
• wie in het schuitje zit moet meevaren. (=wie ergens mee begonnen is moet dit ook afmaken)
• met iemands schuitje varen (=hetzelfde lot ondergaan)
• met iemand in een schuitje varen/zitten (=hetzelfde lot ondergaan)
• in hetzelfde schuitje varen/zitten (=met dezelfde omstandigheden te maken hebben, vrijwel dezelfde situatie)
• in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen terugtrekken)
Naar de spreekwoorden

8 definities op Encyclo
  1. •een eenvoudig vaartuig. • [schertsend] een grote schoen.
  2. voertuig waarmee je vaart vb: in deze schuit worden kisten met groente vervoerd in hetzelfde schuitje zitten [hetzelfde lot moeten ondergaan]
  3. Heden ten dage een nogal pejoratieve benaming voor een vaartuig in de zin van lelijk, vies of lomp. Denk maar aan strontschuit, modderschuit e.d, of een kreet als "wat ee...
  4. Let op: Spelling van 1858 noemen de Nederlanders, uit hoofde van gelijkheid met eene schuit, eene Japansche zilveren munt, omtrent 13 gulden waard
  5. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (-en), vaartuig op binnenwateren; trekschuit, lichter, praam; met de - gaan, varen; per - komen; eene - turf, zand, eene schuit vol ...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met schuit:
schuiten

Deze woorden eindigen op schuit:
beschuitzeilschuittrekschuitdekschuitzandschuitzolderschuit

Herkomst volgens etymologiebank.nl
schuit (vaartuig)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `schuit`.