de rok

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [rɔk]
Verbuigingen:  rok|ken (meerv.)

kledingstuk voor vrouwen, vanaf het middel omlaag
Voorbeelden:  `een lange rok`,
`minirok`

© Kernerman Dictionaries.

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn rokje omkeren (=lid van een andere (bv politieke) partij worden)
roken als een Turk/kalkoven/ketter (=erg veel roken)
• het hemd is nader dan de rok (=eigen familie gaat voor)
• ergens een vuile pijp aan roken (=er veel nadeel van ondervinden)
• ergens een lelijke pijp aan kunnen roken (=er veel schade van kunnen ondervinden)
Toon alle 8 spreekwoorden die rok bevatten

9 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-ken), [zeker, zekere] kleedingstuk; (zeew.) lap prezenning (over iets getrokken); [figuurlijk] zijnen - omkeeren, van de eene part...
  2. Uit `De lagere vaktalen: Taal der bouwbedrijven` 1914 kap of overdekking van pleisterkalk op een gewelf of tegen een grondvest, ter wering van de vochtigheid.
  3. Uit `De lagere vaktalen: De molenaarstaal` 1914 het buitenste, als 't ware, neerhangande deel van 't meulenkot.
  4. Uit `De lagere vaktalen: De spinners-en weverstaal` 1914 de geheele verzameling hevels van den kam.
  5. in de binnenvisserij: geoliede katoenen jas.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met rok:
rokaderokadesrokeerrokeerderokeerdenrokeertrokenrokerrokerenrokersrokjesdagrokkenrokkenjagerroktrokterokten

Deze woorden eindigen op rok:
barokbetrokbrokdoortrokonderrokonttrokovertrokplooirokspijsbrokvertrokvoltrokschrokwrokgrok

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. rok (fabeldier)
  2. rok (kledingstuk)
  3. rok = rokken (aan een spinnewiel)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `rok`.