reizen

werkw.
Uitspraak:  [ˈrɛizə(n)]
Vervoegingen:  reisde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gereisd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

(van iemand) je vrijwillig verplaatsen naar ergens anders dan waar je bent
Voorbeelden:  `elke dag op en neer reizen tussen je werk en je huis`,
`drie maanden door Zuid-Amerika reizen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
forenzen rondreizen trekken zwerven

Spreekwoorden en zegswijzen
• op de kloosters reizen (=altijd bij vrienden of kennissen logeren)
Naar de spreekwoorden

4 definities op Encyclo
  1. een tocht maken van de ene plaats naar de andere vb: Jan reist naar Istanboel
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik reisde, heb gereisd), zich begeven -, trekken van de eene plaats naar de andere, vreemde landen bezoeken; [fig...
  3. •onderweg zijn.
  4. 1) Een reis ondernemen 2) Een tocht maken 3) Forenzen 4) Het uitgaan 5) Langstrekken 6) Onderweg zijn 7) Rondreizen 8) Rondtoeren 9) Rondtrekken 10) Toeren 11) Trekken 12...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met reizen:
reizend

Deze woorden eindigen op reizen:
afreizenhuwelijksreizeninreizenplezierreizenrondreizenterugreizenzakenreizenzeereizen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
reizen

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `reizen` kennen.