I de kachel

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [ˈkɑxəl]
Verbuigingen:  kachel|s (meerv.)

apparaat om een ruimte te verwarmen
Voorbeelden:  `de kachel aandoen als het koud wordt`,
`oliekachel`,
`gaskachel`
Synoniem:  haard


II kachel

bijv.naamw.
Uitspraak:  [ˈkɑxəl]

dronken
Voorbeeld:  `Hij is kachel achter het stuur gaan zitten.`
Synoniem:  zat

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
allesbrander beschonken brandstof dronken haard oven stoken verwarming vuur nuchter (antoniem)

11 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (B. KACHEL, m.), (-s). ~DAMP, m. (-en). ~DEUR, v. (-en). ~GRUIS, o. [geen meervoud] fijne steenkool. ~HOUT, o. (-en), brandhout voor...
  2. (Bargoens, 1914) stomdronken
  3. Spreekwoorden: (1914) Hij is kachel, ook hij is kachelig, hij is dronken; hij is half kachel, (wat) aangeschoten. Zie Köster Henke, 29: kachel, stomdronken; bl. 68: ...
  4. Verschil tussen een haard en een kachel is dat de kachel zich bevindt zich voor en niet in schoorsteenopening. over het algemeen is de kachel met pijp aangesloten op het ...
  5. •een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met kachel:
kachelpijpkachelskachelsmedenkachelsmid

Deze woorden eindigen op kachel:
gaskachelhoutkachelvulkachelstraalkacheltegelkachel

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. kachel (dronken)
  2. kachel (verwarming)
  3. kachel (veulen)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `kachel` kennen.