kachelpijp

zelfst.naamw. (de)
Verbuigingen:  kachelpijpen
Verbuigingen:  kachelpijpje

1) een buis waardoor de verbrandingsgassen van een kachel het gebouw kunnen verlaten
Voorbeelden:  `- Een van hen was de ex-schoonmoeder van Danny. Hij had haar gesmeekt geld naar zijn huis te brengen, waar ze dat moest achterlaten achter een kachelpijp in de tuin. De voorzitter van de rechtbank leest haar verklaring voor. „Ik werd gebeld door Danny, hij was duidelijk in paniek. ‘Geld, Marianne, ik moet geld hebben. Anders ga ik eraan.’” Ze had het gevoel dat ze „in een horrorfilm” was beland. Het afgeschermde nummer kon door de politie worden achterhaald en bleek toe te behoren aan Corné van D., die vandaag als hoofdverdachte tegenover drie rechters zit. Naast hem zit zijn medeverdachte. `,
`- Ik heb me gebrand aan de hete kachelpijp.`

2) een hoge zwarte hoed, cilinderhoed, hogebuis
Voorbeelden:  `- Een kachelpijp is het typische hoofddeksel van een kapitalist.`,
`Sy sprongh mijn strack op mijn Schoodt,<br />Hondtje sey sij laadt ons hupsen,(…)`


Bron: WikiWoordenboek.

3 definities op Encyclo
  1. Spreekwoorden: (1914) Een kachelpijp. Schertsende benaming voor een hogen hoed, een cylinderhoed, een hogen dop, een hooge schijf (in A. Jodenh. 43), een tafelronde (in T...
  2. 1) Chique hoed 2) Deel van een kachel 3) Hoge hoed 4) Hogehoed 5) Hoofddeksel 6) Pijp 7) Rookleider 8) Schoorsteenvegershoed
  3. Bijnaam van de Nimbus uit 1925, die een lange, ronde brandstoftank had die deel uitmaakte van het frame.
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
kachelpijp