de kaar

zelfst.naamw. (m.)
Verbuigingen:  karen
Verbuigingen:  kaartje

1) de kaar (m): / een depressie in een bergwand ontstaan door verwering en glaciale processen

2) de kaar (m): / een watergevuld compartiment in een schip
Voorbeeld:  `De vangst werd in de kaar vers gehouden.`

3) het kaar: de trechtervormige opening die het gestorte graan opvangt
Voorbeeld:  `Onder het kaar is een goot waarlangs het graan naar de steen kan glijden.`


Bron: WikiWoordenboek.

Synoniemen
korf

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn kaars aan twee kanten branden (=zijn krachten of mogelijkheden al te vroeg verspillen)
• wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil. (=het is vruchteloos iemand te willen voorlichten als hij dat niet wil.)
• geen zo kleine sant of hij wil zijn kaars hebben (=ook de mindere machten moet men gunstig stemmen)
• de grote kaars gaat uit (=de zon gaat onder)
Naar de spreekwoorden

7 definities op Encyclo
  • Vierkante trechter voor graan aanvoer
  • (1) Kist met gaatjes om vis in levend te houden. Ook houwer. (2). Geperforeerde afsluiting van de bun.
  • molen - Een kaar of tremel (In Groningen en Friesland zegt men romp) in een traditionele korenmolen is een soort vierkante en trechtervormige silo om een graanvoorraad...
  • Vergeten woorden (v.) zorg, bekommering = Engels care, ~ karig
  • Syn.: houwer Def.: kist met gaatjes om vis in levend te houden.
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met kaar:
    kaardenkaarskaarsenkaarsendoverkaarsenstandaardkaarsfilterkaarslichtkaarsrechtkaarsvetkaarsvlamkaarsvlammenkaartkaart aankaart nakaartautomaatkaartclubkaartenkaartenbakkaartenhuiskaartje
    Toon alle woorden die beginnen met kaar

    Deze woorden eindigen op kaar:
    elkaarlos van elkaarmekaar
    Toon alle woorden die eindigen op kaar

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. kaar (beun, nog in de betekenis: bijenkorf)
    2. kaar (nis in bergtop)