de hut

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [hʏt]
Verbuigingen:  hut|ten (meerv.)

1) klein primitief huisje
Voorbeelden:  `De zwerver woont in het bos in een hut van takken en bladeren.`,
`berghut`

2) slaapkamer op een schip
Voorbeeld:  `een tweepersoonshut`
Synoniem:  scheepshut

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
armoedige woning cabine chalet cockpit herdershut hok hutje kajuit kot scheepshut

Spreekwoorden en zegswijzen
• met hutje en mutje (=met de hele boel)
hutje bij mutje leggen (=ieder draagt bij voor het deel dat die kan)
• als het in de kajuit regent druipt het in de hut (=als de baas problemen heeft, krijgen ook de ondergeschikten hun deel)
Naar de spreekwoorden

12 definities op Encyclo
  • 1> in de binnenvaart: een òp het dek geplaatste (kleine) opbouw. Vrijwel alleen gebruikt in de samenstellingen, zoals stuurhut en theehut. 2> kajuit: uit de zeevaart afk...
  • Def.: nachtverblijf aan boord voor passagiers en bemanning.
  • Cabin. In de scheepvaart > zie state room (suite), buitenhut, binnenhut, court cabin
  • primitief huisje vb: ze wonen in een soort hut van planken kamer op een boot vb: we hadden tijdens de bootreis een hut voor twee personen
  • woonvertrek voor de scheepsofficieren, meestal gelegen onder het campagnedek en boven de kajuit. In de laatste woonde de schipper of kapitein en soms een hooggeplaatste p...
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met hut:
    hutkofferhutkoffershutselhutseldehutseldenhutselthutsenhutspothuttenhuttentut

    Deze woorden eindigen op hut:
    afgeschutafschutafweergeschutberghutbeschutblokhutboomhutgeschutloofhutplaggenhutscheepshutschutsleurhutsneeuwhutstuurhutweerhut

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    hut (eenvoudige kleine woning)