de haai

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [haj]
Verbuigingen:  haai|en (meerv.)

gevaarlijke vis
Voorbeeld:  `De zwemmer is aangevallen door een haai.`
naar de haaien gaan  (verloren gaan) `Als je je auto niet goed onderhoudt, gaat hij naar de haaien.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
duitendief

Spreekwoorden en zegswijzen
• naar de haaien gaan (=ten onder gaan, zinken, zeer grote problemen krijgen en wellicht ophouden te bestaan)
• naar de haaien gaan (=verloren gaan (zinken, schip))
• in een haai en een draai (=in een tel)
• hij loopt te haaien en te draaien (=doelloos ronddwalen)
• er zijn haaien op de kust (=er dreigt gevaar; iemand dreigt jouw voordeeltje in te pikken)
Toon alle 6 spreekwoorden die haai bevatten

9 definities op Encyclo
  • (Bargoens, 1914) sterk, groot, bij de hand, geducht
  • • [vissen] kraakbenige roofvis.
  • grote roofvis die in de zee leeft vb: in deze baai zwemmen haaien! naar de haaien [voorgoed verloren zijn, weg zijn]
  • [Vergeten woorden] (m.) 1) hiel 2) knieholte 3) hielvormig stuk land aan zee of een vlakte 4) schuin toelopend stuk land, geer [= Engels hough, in haassen, ~ hiel]
  • Let op: Spelling van 1914 Zie CARCHARHINUS.
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met haai:
    haaibaaihaaidehaaidenhaaienhaaienaanvalhaaientandhaaientandenhaaienvinnensoephaaietandhaaiighaait

    Deze woorden eindigen op haai:
    doornhaaiharinghaaihondshaaimensenhaaitoonhaaiwitte haai

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. haai (geducht)
    2. haai (schuine hoek of strook)
    3. haai (vis)