het gezag

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [xəˈzɑx]

1) persoon of instantie die officieel de macht heeft
Voorbeelden:  `het ouderlijk gezag over de kinderen`,
`het bevoegd gezag van de overheid`
op eigen gezag  (zelfstandig zonder anderen iets te vragen) `Ik heb dat op eigen gezag gedaan en ben dus verantwoordelijk.` Synoniem: eigenmachtig

2) toestand dat mensen naar je luisteren door je kwaliteiten en prestaties
Voorbeelden:  `veel gezag hebben bij je collega's`,
`De overheid heeft steeds minder gezag bij het volk.`
Synoniem:  autoriteit

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
autoriteit autoriteiten gezaghebbers gouvernement heerschappij kabinet macht regering

Taaladvies
Wat is juist: het bevoegd gezag of het bevoeged gezag? Zie het bevoegd gezag / het bevoeged gezag

8 definities op Encyclo
  • •bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen. •aanzien.
  • Het Gezag is in de christelijke kerken een discussiepunt. Is dat de kerkelijke, bestuurlijke macht in de vorm van bisschoppen, kardinalen en pausen of is dat het Gezag va...
  • rechtswetenschap: persoon of instantie met gezag; gezagsdrager, met bevoegdheid bekleed persoon. ...
  • macht Jaar van herkomst: 1401-1500 (MNW )
  • wie iets te zeggen heeft over andere mensen vb: hij heeft gezag, want iedereen luistert naar hem Synoniemen: autoriteit gezaghebber overwicht instelling die iets te zegge...
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met gezag:
    gezaghebbendgezaghebbendheidgezaghebbergezaghebbersgezagscrisesgezagscrisissengezagsgetrouwgezagsondermijnendgezagvoerdergezagvoerders

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    gezag (macht en recht om te bevelen, autoriteit)