het gezag

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [xəˈzɑx]

1) persoon of instantie die officieel de macht heeft
Voorbeelden:  `het ouderlijk gezag over de kinderen`,
`het bevoegd gezag van de overheid`
op eigen gezag  (zelfstandig zonder anderen iets te vragen) `Ik heb dat op eigen gezag gedaan en ben dus verantwoordelijk.` Synoniem: eigenmachtig

2) toestand dat mensen naar je luisteren door je kwaliteiten en prestaties
Voorbeelden:  `veel gezag hebben bij je collega's`,
`De overheid heeft steeds minder gezag bij het volk.`
Synoniem:  autoriteit

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
autoriteit autoriteiten gezaghebbers gouvernement heerschappij kabinet macht regering

10 definities op Encyclo
  1. •bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen. •aanzien.
  2. [Maatschappijleer] Macht die in regels en wetten is vastgelegd (leraar, burgemeester)
  3. Het Gezag is in de christelijke kerken een discussiepunt. Is dat de kerkelijke, bestuurlijke macht in de vorm van bisschoppen, kardinalen en pausen of is dat het Gezag va...
  4. Let op: Spelling (deels) uit 1864: o. [geen meervoud] aanzien, magt, vermogen; bevel; overmagt; autoriteit; [figuurlijk] ik heb het - van vele goede schrijvers in mijn vo...
  5. [Maatschappijwetenschappen] situaties waarin mensen de zeggenschap van anderen als legitiem ervaren
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met gezag:
gezaghebbendgezaghebbendheidgezaghebbergezaghebbersgezagscrisesgezagscrisissengezagsgetrouwgezagsondermijnendgezagvoerdergezagvoerders

Herkomst volgens etymologiebank.nl
gezag (macht en recht om te bevelen, autoriteit)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `gezag` kennen.