getrouwd

bijv.naamw.
Uitspraak:  [xeˈtrɑut]

als je een officieel huwelijk met iemand hebt
Voorbeeld:  `pas getrouwd zijn`
Antoniem:  ongetrouwd;≠ gescheiden
Synoniem:  gehuwd
Zo zijn we niet getrouwd.  (dat was de afspraak niet)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
gehuwd gescheiden (antoniem)ongetrouwd (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• over de puthaak getrouwd (=onwettig samenwonend)
getrouwd zijn over de puthaak (=onwettig samenwonen)
• er niet mee getrouwd zijn (=er niet aan vastzitten, er niet toe verplicht zijn)
• er niet aan getrouwd zijn (=er niet aan vastzitten, er niet toe verplicht zijn)
Naar de spreekwoorden

3 definities op Encyclo
  1. •voltooid deelwoord van trouwen.
  2. 1) Gehuwd 2) In de echt verbonden
  3. wie met iemand anders een huwelijk heeft gesloten vb: zij zijn getrouwd, dus de kinderen heten naar de vader Synoniem: gehuwd Tegenstellingen: ongehuwd vrijgezel
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op getrouwd:
aangetrouwdingetrouwdongetrouwd

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `getrouwd` kennen.