geloven

werkw.
Uitspraak:  [xəˈlovə(n)]
Vervoegingen:  geloofde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geloofd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) de overtuiging hebben dat iets waar is
Voorbeeld:  `Ik geloof er niets van.`
iemand op zijn woord geloven  (denken dat iemand de waarheid spreekt zonder daarvoor bewijzen te vragen)
Je zult eraan geloven.  (je zult uiteindelijk iets vervelends meemaken)

2) denken dat er een opperwezen bestaat religie
Voorbeeld:  `Zij gelooft niet meer sinds haar zestiende.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aannemen ervan uitgaan vertrouwen wanen

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn oren niet geloven (=iets wat gezegd wordt, niet kunnen geloven)
• zijn ogen niet geloven (=niet geloven wat men ziet)
• twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
• iemand geloven bij ja en neen (=iemand op zijn woord geloven)
• ergens geen spaan van geloven (=niets ervan geloven)
Toon alle 6 spreekwoorden die geloven bevatten

6 definities op Encyclo
  1. beloven, verzekeren, garanderen
  2. denken dat het waar is vb: Pim gelooft niet meer in sinterklaas niet te geloven zo mooi! [onwaarschijnlijk mooi]
  3. • [ov] overtuigd zijn dat iets waar is. • [ov] "iemand ~": zich door iemand laten overtuigen
  4. vertrouwen in of op Jaar van herkomst: 776-800 (CG II 1 Utr. doopbelofte )
  5. 1) Aanhangen 2) Aannemen 3) Achten 4) Als juist beschouwen 5) Denken 6) Ervan uitgaan 7) Menen 8) Oordelen 9) Op gezag aannemen 10) Overtuigd zijn 11) Postuleren 12) Van ...
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
geloven (vertrouwen stellen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `geloven`.