emaneren

werkw.
Afbreekpatroon:  e - ma - 'ne - ren
Herkomst:  «Frans
Vervoegingen:  emaneerde (verl.tijd )
Vervoegingen:  geëmaneerd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

uitvloeien uit;
uitstraling van;
afkomstig zijn van;
uitstorting van
emanatie  (uitvloeiing, uitstorting, uitstraling of een voortvloeiing van iets)


2 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik emaneerde, heb of ben geëmaneerd), uitvloeijen, uitgaan, afkomstig zijn; dit besluit emaneert van hem, hij is...
  2. 1) Uitgaan 2) Uitstralen 3) Uitstromen 4) Uitvloeien 5) Voortvloeien uit
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
emaneren (uitvloeien)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 28% van de Nederlanders en 48% van de Vlamingen het woord `emaneren`.