de dokter

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [ˈdɔktər]
Verbuigingen:  dokter|s (meerv.)

iemand die als beroep heeft zieke mensen beter te maken
Voorbeelden:  `naar de dokter gaan met een zere voet`,
`Als een kwaal moeilijk of ernstig is, stuurt de dokter je naar een specialist.`
Synoniem:  arts

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
arts geneesheer medicus

Spreekwoorden en zegswijzen
• met het water voor de dokter komen (=zeggen wat je bedoelt)
• haring in het land, dokter aan de kant (=haring eten is zeer gezond; haring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
Naar de spreekwoorden

7 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. zie DOCTOR. ~EN, ow. [gelijkvloeiend] (ik dokterde, heb gedokterd), de geneeskunst uitoefenen; (ook) vaak van een geneesheer gebruik...
  2. wie een officiële bevoegdheid heeft om zieken te behandelen vb: je moet met die wond naar de dokter Synoniemen: arts geneesheer medicus
  3. • [beroep] een arts, een geneesheer.
  4. iemand die op grond van een academische graad bevoegd is de geneeskunde te beoefenen, na de diplomering als basisarts nog onder supervisie van een begeleidend arts en na ...
  5. 1) Arts 2) Beoefenaar van de geneeskunst 3) Beroep 4) Chirurgijn 5) Esculaap 6) Geneesheer 7) Geneeskundigde 8) Geneeskundige 9) Heelkundige 10) Heelmeester 11) Huisarts ...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met dokter:
dokter uitdokterdedokterdendoktersdoktersadviesdoktersassistentdoktersassistentedoktersbezoekdoktersopleidingdoktersromandoktersvoorschriftdoktert

Deze woorden eindigen op dokter:
huisdokterwonderdokterspindokterscheepsdokterschooldokterverdokterwetsdokter

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. dokter (arts)
  2. dokter (werktuig)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `dokter` kennen.