de huisdokter
zelfst.naamw. (m.)
| Uitspraak: | ['hœyzdɔktər] |
| Verbuigingen: | huisdokters (meerv.) |
je vaste dokter | Voorbeeld: | `De huisdokter schreef een zalfje voor.` | |
| Synoniem: | huisarts |
2 definities op Encyclo
- 1) Arts 2) Huisarts
- arts die na zijn diplomering als basisarts de opleiding in de huisartsengeneeskunde volgde en vanuit zijn brede, generalistische scholing algemene, niet-specialistische medische zorg verleent voor een relatief vast patiëntenbestand uit de plaatselijke bevolking; huisarts
Toon uitgebreidere definitiesVraag & Antwoord voor je slimme speaker
Is het 'de huisdokter' of 'het huisdokter'?
Het is 'de huisdokter', want huisdokter is mannelijk. Als je het aanwijst is het 'die huisdokter'.
Wat is het meervoud van huisdokter?
Het meervoud van huisdokter is 'huisdokters'. Eén huisdokter, twee huisdokters.
Wat betekent huisdokter?
'je vaste dokter'
Hoe spel je huisdokter?
huisdokter spel je H U I S D O K T E R Op andere websites
Zoek huisdokter in het
Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek huisdokter op
Google
Zoek huisdokter op
Woordenlijst.org
Zoek huisdokter in de woordenboeken van het
Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek huisdokter op
Wikipedia