de deugd

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [døxt]
Verbuigingen:  deugd|en (meerv.)

1) goede eigenschap die blijkt uit je gedrag
Voorbeelden:  `Zijn grote deugd is zijn trouw.`,
`Iedereen heeft zijn deugden en gebreken.`

2)
iets doet je deugd  (iets maakt je blij) `Het doet me deugd dat hij eindelijk zijn examen gehaald heeft.`

© Kernerman Dictionaries.

Spreekwoorden en zegswijzen
• van de nood een deugd maken (=zich naar de omstandigheden schikken)
Naar de spreekwoorden

5 definities op Encyclo
  • Een deugd kan een positieve eigenschap zijn waar een bepaald persoon over beschikt. Het kan ook duiden op een ethisch goede manier van handelen. == Definitie van Aristot...
  • •iets dat goed is in zedelijk opzicht.
  • goede eigenschap vb: vriendelijkheid is zijn grootste deugd het doet me deugd [ik vind het fijn] lieve deugd! [uitroep van onsteltenis] de deugd in het midden [schertsend...
  • 1) Braafheid 2) Eerlijkheid 3) Eigenschap 4) Geneigd tot het goede 5) Goed zijn in zedelijke zin 6) Goede eigenschap 7) Goedheid 8) Het goed zijn in zedelijke zin 9) Hoed...
  • het goed-zijn Jaar van herkomst: 1100 (Willeram )
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met deugd:
    deugdedeugdelijkdeugdelijkheiddeugdendeugdzaamdeugdzaamheid

    Deze woorden eindigen op deugd:
    gedeugdondeugd

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    deugd (goede zedelijke eigenschap)