de bruid

zelfst.naamw. (v.)
Uitspraak:  [brœyt]
Verbuigingen:  bruid|en (meerv.)

vrouw op haar trouwdag
Voorbeeld:  `Daar komt de bruid!`
Antoniem:  bruidegom

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bruidegom (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• men kan wel dansen al is het niet met de bruid (=men kan ook wel tevreden zijn met iets minder dan het beste)
Naar de spreekwoorden

7 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (-en), verloofde; zij is de -, zij is verloofd, ondertrouwd; eene - des hemels, eene non.
  2. •vrouw die in het huwelijk treedt.
  3. 1) Aanstaande 2) Jonggehuwde 3) Jonggehuwde vrouw 4) Kalle 5) Meisje dat gaat trouwen 6) Ondertrouwde 7) Pasgetrouwde vrouw 8) Verloofde 9) Vrouw die gaat trouwen 10) Vro...
  4. vrouw op de dag van haar huwelijk en in de periode dat zij in ondertrouw is
  5. Een bruid is de benaming voor een vrouw op de dag dat zij in het huwelijk treedt. De term wordt ook wel gebruikt vanaf het moment van de ondertrouw. == Gebruiken en ritu...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met bruid:
bruidegombruidegomsbruidenbruidsjaponbruidsjonkerbruidsjonkersbruidsjurkbruidsmeisjebruidsmeisjesbruidspaarbruidsschatbruidsschattenbruidssluierbruidssuikersbruidssuitebruidstaartbruidstaartenbruidsvlucht

Deze woorden eindigen op bruid:
verbruid

Herkomst volgens etymologiebank.nl
bruid (verloofde)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `bruid` kennen.